maandag 11 februari 2008

Het Musée d'Orsay

Het Musée d'Orsay is het jongste prestigieuze museum van Parijs, geopend in december 1986. Het is gehuisvest in de voormalige Gare d'Orsay die daartoe grondig werd gerestaureerd en (inwendig) verbouwd en biedt onderdak aan alle takken van de kunst voor de periode 1848 - 1914.Dit nieuwe museum over de 19de eeuw, vroeger station, bevindt zich aan de Seine tegenover de tuin der Tuilerieen en ontleent zijn naam aan de Quai d'Orsay (thans echter quai A. France in dit stuk) langs de welke ook het Franse ministerie van buitenlandse betrekkingen ligt.

De 19de-eeuwse industriële revolutie schiep niet alleen treinen en spoorwegen maar ook ermee samenhangende nieuwe opdrachten voor de architectuur zoals de bouw van bruggen en van functionele stationshallen.Ze creeërde ook de nieuwe materialen waarmee deze gebouwen werden opgetrokken: gestandaardiseerde gietijzeren staven. Alleen met ijzer en glas konden enorme stationshallen overwelfd worden en niet met de traditionele stenen materialen. Gewapend beton kwam nog niet in aanmerking. Aan de vooravond van de wereldtentoonstelling van 1900 en naar het voorbeeld van gelijkaardige stationshallen liet architect V. Laloux in twee jaar tijd de Gare d'Orsay optrekken.

Het station werd gebouwd in een recordtempo, van 1898 tot 1900. De constructie was heel gedurfd voor die did, met een enorme metalen structuur die zwaarder weegt dan de Eiffeltoren en een middenschip groter dan dat van Notre-Dame ! Hoewel het gebouw opgetrokken werd eind 19de eeuw, is de stijl een mengeling van rococo en Napoleon III met een vleugje 1900 en heeft het meer weg van een paleis dan van een station. Later werd er een luxehotel bijgebouwd, waar in 1958 generaal de Gaulle zijn terugkeer naar het presidentschap aankondigde. Het was een kopstation, uitsluitend voor reizigers die de spoorlijn Paris-Orleans tot in het hart van de stad bracht. Het vormt een mooi voorbeeld van de architectuur in de periode van de Art Nouveau in "Parijs, samen met het Grand en Petit Palais en met de Pont Alexandra III, ook tot stand gekomen in 1900. Maar van het station werd nauwelijks dertig jaar gebruikgemaakt. De treinen waren immers to lang geworden en de perrons konden niet verlengd worden. De spoorliin naar het zuidwesten van Frankrijk werd dus opnieuw verbonden met het gore d'Austerlitz en Orsay was het tijdelijke onderkomen voor het theater Renaud­.Barrault en voor het veilinghuis Drouot.

De eigenlijke stationshal is een indrukwekkende, 170m lange, ruimte volledig overwelfd in glas en gietijzer. Het naar de smaak van de tijd te industriële aspect van het gebouw werd weggestoken achter een lange classisistische façade (versierd met beelden van Franse steden en van Mercurius de beschermer van de reizigers) en achter het er tegenaan gebouwde Hotel Terminus met zijn vele rijk gedecoreerde salons en 370 kamers. In het interieur van de hall werd de ruimte tussen de metalen pijlers met plaasteren, antiek uitziende cassettes versierd. Een schitterend monumentaal horloge in 19de-eeuwse romantisch-classisistische stijl gaf de reizigers het juiste uur aan.

Door de modernisering van het treinverkeer, sinds 1939 niet meer gebruikt kreeg het gebouw achtereenvolgens verschillende occasionele bestemmingen, onder meer als locatie voor de opname van de film "Het Proces" van Orson Welles en als theater. In het begin van de zeventiger jaren werd het vroeger station, in tegenstelling tot de Oude Hallen van Parijs, van de afbraak gered door de hernieuwde belangstelling voor de bouwkunst van de late 19de eeuw.

De idee er een museum van te maken, kreeg vorm in 1975. Twee jaar later organiseert Giscard d'Estaing een wedstrijd. De inrichtingvan het station wordt toevertrouwd aan Gae Aulenti, een Italiaans architect. Het probleem was niet zo eenvoudig op te lossen. In een structuur die daar niet voor gebouwd was, moest nu een museum komen. De verlichting en de verwarming dienden aangepast aan deze enorme ruimte. Men moest erop bedacht zijn, dat het niveau van de Seine plots zou kunnen stijgen en de trillingen van de onderliggende extra snelle metro, de RER, moesten geneutraliseerd worden. En vooral, dat alles ging een pak geld kosten, wat wellicht het grootste struikelblok was. De nieuwe president, François Mitterrand, maakte komaf met de onzekerheden. Het project moest er komen en dus werd het budget verdrievoudigd.

Gae Aulenti ontworp een museum metvijf niveaus. In de middenbeuk, een centrale gang met aan beide kanten elkaar opvolgende zaaltjes. Dan een reeks terrassen die met weer andere zalen in verbinding staat. Een monumentale architectuur, die dankzij de stenen wat meer kleur heeft, vormt een tegengewicht voor het hoge gewelf.

De Italiaanse binnenhuisarchitecte G. Aulenti is volgens sommige critici wel en volgens anderen minder goed geslaagd in haar moeilijke opdracht de oorspronkelijke architectuur van Laloux te respecteren en anderzijds toch voldoende tentoonstellingszaaltjes op verschillende verdiepingen in te richten. In het bijzonder de twee uitkijktorens achterin de hall, die weliswaar een mooi overzicht bieden, zijn het voorwerp van kritiek.

De museumcollectie

Het museum wil een zo volledig mogelijk overzicht bieden van de gehele kunstproductie vanaf ca 1848 tot ca 1914 en aldus een brug slaan tussen de verzamelingen van het Louvre (van de Oudheid tot de 19de E.) en van het Musee d'Art Moderne in Beaubourg (20ste E.).

Hoewel het accent op de beeldhouw-, schilder- en sierkunst ligt, is er ook ruime aandacht voor de architectuur, en voor de nieuwe kunsten der fotografie en van de cinematografie (uitgevonden 1895). De literatuur en de muziek zullen geëvoceerd worden via tijdelijke tentoonstellingen, voordrachten en allerlei manifestaties. Overal in het museum tenslotte vinden de bezoekers documentatie rond de historische context waarin de tentoongestelde kunstvoorwerpen tot stand kwamen (Passage des dates, Passage de la Presse ... ).

Schilderkunst . - Delacroix (Romantiek), Ingres (Classicisme), Daumier (naturalisme), school van Barbizon: Millet , Corot (Romantisch-realisme), Courbet (realisme), Puvis de Chavannes

Impressionisme (grootste bloei 1870-1880): Manet, Monet, Renoir, Pissarro, Sisley, Degas.

Neo-impressionisme, Seurat, Signac, Pissarro.

pointillisme (1880-1890....)

- Post-Impressionisme, voorlopers van de 20ste eeuw (na 1880): Gauguin, Van Gogh, Cézanne, Toulouse-Lautrec, Rousseau le douanier.

- Les Nabis: Vuillard, Bonnard, Denis.

Beeldhouwkunst: Rude, Carpeaux, Carrier-Belleuse, Rodin, Bourdelle, Maillol

Art Nouveau: Guimard, Gallé en de school van Nancy, Lalique, art nouveau uit Belgiue (Van de Velde), Wenen, Glasgow, Chicago.

Bron : http://users.telenet.be/robertdelva/orsay.htm


zondag 10 februari 2008

Léon Spilliaert in het Musée d’Orsay

Tentoonstelling zelfportretten van Léon Spilliaert in het Musée d’Orsay

-
Léon Spilliaert: autoportraits. Musée d’Orsay, Parijs

Léon Spilliaert wordt gerekend tot een van de vijf belangrijkste Belgische schilders naast René Margritte, James Ensor, Paul Delvaux en Constant Permeke. Toch is hij minder bekend dan de andere schilders in dit rijtje. Maar tentoonstellingen in de Brusselse Musea voor Schone Kunsten en nu in het Musée d’Orsay brengen daar verandering in en getuigen van de hernieuwde publieke belangstelling voor deze originele kunstenaar.

Spilliaert (1881-1946) werd geboren in Oostende in een familie van parfumeurs. Hij putte veel inspiratie voor zijn kunst uit zijn nachtelijke wandelingen door deze stad. Spilliaert was beïnvloed door de belangrijkste stromingen van zijn tijd: het fin de siècle, het symbolisme en het expressionisme. Toch was hij bovenal een individualist die niet binnen één stroming te plaatsen valt. Spilliaert was grotendeels autodidact en heeft slechts enkele maanden op de kunstacademie gezeten. Meer nog dan door de geschiedenis van de schilderkunst liet Spilliaert zich door de literatuur inspireren. Hij had grote belangstelling voor Nietzsche, Schopenhauer, Chateaubriand en Lautréamont, was bevriend met de Belgische dichter en schrijver Émile Verhaeren en illustreerde de verzamelde werken van Maurice Maeterlinck.

De tentoonstelling in het Musée d’Orsay verzamelt alle 28 zelfportretten van Spilliaert, gemaakt tussen 1902 en 1917. De periode tussen september 1907 en november 1908 was bijzonder productief met maar liefst 15 zelfportretten.

Het is geen toeval dat Spilliaert juist in Parijs wordt tentoongesteld. Volgens Anne Adriaens-Pannier, de conservator van de Brusselse Spilliaert-tentoonstelling had Spilliaert heel nauwe banden met Parijs. De wereldtentoonstelling in 1900 had grote indruk op hem gemaakt en hij heeft ook later in Parijs gewoond. Hij ontmoette er Emile Verhaeren en zijn eerste tentoonstelling vond plaats in de galerie Clavis Sagor, samen met Picasso.

De zelfportretten van Spilliaert laten een duidelijke ontwikkeling zien richting steeds meer introspectie en abstractie. Waar hij zichzelf aanvankelijk in profiel en in pak gekleed afbeeldt, kijkt hij in de latere zelfportretten op verontrustende wijze recht in de spiegel. In hun melancholie en hun compromisloosheid doen de zelfportretten denken aan het expressionisme, maar het spel met licht en donker lijkt ook door de Japanse prentkunst geïnspireerd.

Bron :www.musee-orsay.fr

Bron: http://www.ambafrance.nl/article.php?id_article=8232

zaterdag 9 februari 2008

Kunstenaar van de schemerzone


Kunstenaar van de schemerzone Léon Spilliaert (1881-1946) is de kunstenaar van de beklemmende perspectieven en spiegelbeelden, van opwaaiende jurkjes en bomen met een levende huid. Sommige van zijn werken grijpen je nog altijd bij de keel. De Koninklijke musea voor schone kunsten van Brussel brengen een uitgelezen hommage aan deze Oostendse kunstenaar. Benig buigen zich de lijnen van jukbeenderen en kaak langs de licht- en schaduwvlekken op zijn gelaat. Onder de strak gespannen huid kloppen de aders. De ogen liggen verzonken in hun zwarte kassen of zijn in een extatische blik wijd opengesperd. Alleen de hoge dos lichtblond haar mildert de getourmenteerde ernst van zijn zelfportretten. De eerste maakte Spilliaert toen hij vooraan in de twintig was. Het waren zijn beginjaren als kunstenaar en ijdele pose voerde nog de boventoon. In 1907 volgde een nieuwe reeks waarin hij de onderzoekende blik ondraaglijk en pregnant op zichzelf richtte en bijgevolg ook op de toeschouwer. De uiterste grens van het aftasten van de confrontatie bereikte Spilliaert in 1908 in Zelfportret met spiegel waarin hij de trekken van een stervende aannam. Dat zijn niet de van trots vervulde projecties van een zelfverzekerde kunstenaar, maar de emanaties van een gevoelige en rusteloze natuur die haar onzekerheden en duistere diepten peilt.

● Spilliaert werd belaagd door angst en twijfel. Zijn slapeloosheid, zwakke gezondheid en buien van koortsachtige opwinding benauwden hem. Ook de liefde schonk hem aanvankelijk weinig geluk, maar in het scheppen van zijn kunst vond hij een reden van bestaan. Van huis uit was hij vertrouwd met creatieve bedrijvigheid. Zijn vader ontwierp parfums die van verlokkelijke namen en aantrekkelijke verpakkingen moesten worden voorzien en de kleine Léon was daarbij soms behulpzaam. Dat hij kunstenaar wou worden, stuitte op geen weerstand, maar aangezien vrijheid en experiment de jonge Spilliaert meer waard waren dan rigide voorschriften, brak hij zijn academische opleiding in Brugge voortijdig af. De techniek van het olieverfschilderen zou hij dan ook nooit goed beheersen, maar met Oost-Indische inkt werd hij een tovenaar van de lijn en de zwarte tonen. Aangetrokken door het werk van Odilon Redon, Edvard Munch en Henri de Toulouse-Lautrec, de literatuur van Maurice Maeterlinck, Stéphane Mallarmé en Edgar Allan Poe en de filosofie van Friedrich Nietzsche en Arthur Schopenhauer, ging hij de weg op van een intellectualistische melancholie die hij in sombere tekeningen vertaalde. Aanvankelijk nog beïnvloed door de beeldtaal van het symbolisme – vooral in de voorstelling van de vrouw als een beangstigende verschijning –, oriënteerde hij zich evenwel snel op de dingen die hem vertrouwd waren. Hij herschiep ze tot composities die nog altijd een vreemde sensatie opwekken. Met een fijnzinnige gevoeligheid behandelde Spilliaert de voorwerpen in zijn huis als waren het ‘stil levende’ objecten. Het is maar in schijn een onbeweeglijke wereld, want dozen buigen onder het gewicht, planten groeien of kwijnen weg, in de kalender vliedt de tijd, bokalen weerkaatsten strepen licht en het blauwe teiltje lijkt vooruit te schuiven. De stillevens zijn verrassend gekadreerd en figureren in een uitsnede van de werkelijkheid die Spilliaert schikt tot een geometrisch patroon van verticalen en horizontalen, van lichte en donkere vlakken, van weerkaatsingen en spiegelingen. Soms beperkt hij zich tot het tegen elkaar afwegen van de vele nuances van zwart, wit en grijs, hier en daar licht aangezet met kleur. Dan weer geeft hij aan gedempte krijt- of aquareltinten de hoofdrol. Ook interieurs koppelt Spilliaert los van hun banale vanzelfsprekendheid en geeft ze een bezield en mysterieus karakter. Hij herschept ze tot ‘wachtkamers’ waar zich het leven der dingen afspeelt terwijl de mensen elders zijn, zoals het restaurant met wit gedekte tafels die oplichten onder de schijn van de kristallen luchter. Met ingehouden adem wachten de stoelen, de opstaande servetten, de plantjes op de tafel en de spiegel met glimmende omlijsting tot de deur opengaat en de ruimte zich vult met stemmen en geluid. Voorlopig regeert hier evenwel de essentie van de materie, van het licht, van de ingekeerde kleuren en de stilte.




● Wellicht nog fascinerender in de ogen van Spilliaert waren de zee en de stad Oostende waarmee hij – zoals zijn tijdgenoten James Ensor en Constant Permeke – was opgegroeid en wier palet, ritme en nukken hij door en door kende. Nu eens reduceerde hij haar tot een strakke horizontale strook, dan weer tot een krinkelende vloeibare massa. Maar het boeiendst zijn de diagonaal opgezette composities. Daarin laat Spilliaert de lijnen van de waterkant, het strand en de dijk naar een onmetelijk ver verdwijnpunt vluchten. Soms doorbreekt hij de geometrie met de ronding van het kursaal, de bocht van de dijk of een S-vormig kielzog in het water, dan weer laat hij een trap evolueren tot een duizelingwekkend steil gevaarte. Onophoudelijk verkent Spilliaert de vormelijke, coloristische en ritmische mogelijkheden van het Oostendse zee- en stadslandschap en puurt hij ze uit tot hun essentie. Vanaf 1909 worden kade en kust van hun desolaatheid ontdaan en bevolkt met figuren. In de speelse en soms groteske manier waarop hij het lichaam van de baadster profileert tegen de vloeibare watermassa, verraadt Spilliaert zijn ironische blik. Maar in het monumentale silhouet van de vissersvro

● Spilliaerts werk uit de periode voor de Eerste Wereldoorlog verrast nog altijd door zijn formele kracht en originaliteit. Waren geestelijke kwellingen en frustraties de drijfkracht van zijn creatief genie en doofde de flamboyante energie toen hij in 1916 trouwde met de jonge Rachel Vergison en een dochter kreeg? Of waren de onzekerheid en de twijfel van de aankomende kunstenaar geluwd tot een rustig experimenteren nu hij in brede kringen werd gewaardeerd? Het is moeilijk zich daarover uit te spreken, want Spilliaert zelf was de laatste om over zijn werk uitleg te verschaffen. Feit is wel dat het gaandeweg aan oorspronkelijkheid en spankracht inboette. Alleen de boomportretten kunnen nog boeien door hun bevreemdende behandeling van de schors als was het een levende huid. De rijpe Spilliaert ontgoochelt, maar mag op een retrospectieve natuurlijk niet ontbreken. Gelukkig overheerst het werk uit de vroege jaren, passend gepresenteerd tegen grijze wanden die Spilliaerts getemperd kleurgebruik niet domineren en een luchtig, zigzaggend parcours vormen, waarin je probleemloos op je stappen kunt terugkeren als je van de sombere, verontrustende Spilliaert niet genoeg krijgt.






vrijdag 8 februari 2008

Night - Spilliaert Léon

.



Bron:
ww.spamula.net/blog/i26/spilliaert2.jpg

donderdag 7 februari 2008

Paul Valéry

Ambroise-Paul-Toussaint-Jules Valéry (French IPA: [pɔl valeˈʁi]; October 30, 1871July 20, 1945) was a French poet, essayist, and philosopher. His interests were sufficiently broad that he can be classified as a polymath. In addition to his fiction (poetry, drama and dialogues), he also wrote many essays and aphorisms on art, history, letters, music, and current events.

Biography

Paul Valéry

Paul Valéry

Valéry was born of a Corsican father and Genoese mother in Sète, a town on the Mediterranean coast of the Hérault, but he was raised in Montpellier, a larger urban center close by. After a traditional Roman Catholic education, he studied law at university, then resided in Paris for most of the remainder of his life, where he was for a while part of the circle of Stéphane Mallarmé.

Valéry became a full-time writer late in life (at the age of fifty) when the man for whom he worked as private secretary, a former chief executive of the Agence Havas, Edouard Lebey, died of Parkinson's disease in 1920. Until then, Valéry had first briefly earned his living at the Ministry of War before assuming the relatively flexible post as assistant to the increasingly impaired Lebey, a job he held for some twenty years.

After his election to the Académie française in 1925, Valéry became a tireless public speaker and intellectual figure in French society, touring Europe and giving lectures on cultural and social issues as well as assuming a number of official positions the admiring French nation eagerly offered him. He represented France on cultural matters at the League of Nations, serving on several of its committees. The Outlook for Intelligence (1989) contains English translations of a dozen essays resulting from these activities.

In 1931, he founded the College Internationale de Cannes, a private institution teaching French language and civilization. The College is still operating today, offering professional courses for native speakers (for educational certification, law and business) as well as courses for foreign students.

He gave the keynote address at the 1932 German national celebration of the 100th anniversary of the death of Johann Wolfgang von Goethe. This was a fitting choice, as Valéry shared Goethe's fascination with science (specifically biology and the theory of light).

In addition to his activities as a member of the Académie française, he was also a member of the Academy of Sciences of Lisbon, and of the Front national des Ecrivains. In 1937 he was appointed chief executive of what later became the University of Nice. He was the inaugural holder of the Chair of Poetics at the Collège de France.

During World War II, the Vichy regime stripped him of some of these jobs and distinctions because of his quiet refusal to collaborate with it and the German occupation, but Valéry continued throughout these troubled years to publish and to be active in French cultural life, especially as a member of the Académie française.

In 1900 he married Jeannie Gobillard, a friend of Mallarmé's family, who was also a niece of the painter Berthe Morisot. The couple had three children: Claude, Agathe, and François.

Valéry died in Paris in 1945. He is buried in the cemetery of his native Sète – the cemetery celebrated in his famous poem le Cimetière marin.

Work

Paul Valéry, drawn by himself.

Paul Valéry, drawn by himself.

Valéry is best known as a poet, and is sometimes considered to be the last of the French Symbolists. But he published fewer than a hundred poems, and none that drew much attention before 1917, when he produced la Jeune Parque at forty-six years of age. This obscure but superbly musical masterpiece, of 512 alexandrine lines in rhyming pairs, had taken him four years to complete, and immediately secured his fame. It is esteemed by many in France as the greatest French poem of the 20th century. The title was settled on late in the poem's gestation; it refers to the youngest of the three Parcae (the Roman deities also called Fates), though the connection with that deity is tenuous and problematic. It is written in the first person, and is the soliloquy of a young woman contemplating life and death, engagement and withdrawal, love and separateness, in a setting dominated by sea, sky, stars, rocky cliffs, and the rising sun. There are, therefore, links with le Cimetière marin, which is also a seaside meditation on such large themes. Before la Jeune Parque, Valéry's only publications of note were dialogues, articles, some poems, and a study of Leonardo da Vinci. In 1920 and 1922 he published two slim collections of verses. The first, Album des vers anciens (Album of ancient verses), was essentially a revision of early but beautifully wrought smaller poems, some of which had been published individually before 1900. The second, Charmes (from the Latin carmina, meaning "songs"; the collection includes le Cimetière marin, and many smaller poems with very diverse structures), further confirmed his reputation as a major French poet.

Valéry's technique is quite orthodox, in its essentials. His verse rhymes and scans in the traditional ways, and has much in common with the work of Mallarmé. His poem Palme inspired James Merrill's celebrated 1974 poem Lost in Translation.

His far more ample prose writings, peppered with many aphorisms and bons mots, reveal a conservative and skeptical outlook on human nature, verging on the cynical. But he never said or wrote anything giving aid or comfort to any form of totalitarianism popular (in certain quarters, at least) in his lifetime. Raymond Poincaré, Louis de Broglie, Andre Gide, Henri Bergson, and Albert Einstein all respected Valéry's thinking and became friendly correspondents. Valéry was often asked to write articles on topics not of his choosing; the resulting intellectual journalism he collected in five volumes titled Variétés.

Valéry's most striking achievement is perhaps his monumental intellectual diary, called the Cahiers (Notebooks). Early every morning of his adult life, he contributed something to the Cahiers, prompting him to write: "Having dedicated those hours to the life of the mind, I thereby earn the right to be stupid for the rest of the day." The subjects of his Cahiers entries often were, surprisingly, science and mathematics. In fact, arcane topics in these domains appear to have commanded far more of his considered attention than his celebrated poetry. The Cahiers also contain the first drafts of many aphorisms he later included in his books. To date, the Cahiers have been published in their entirety only in photostatic reproduction, and only since about 1980 have they begun to receive the scholarly scrutiny they deserve.

Valéry is currently considered as a reference for constructivism (epistemology), for instance in Jean-Louis Le Moigne's description of constructivism history[1].


Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Paul_Val%C3%A9ry


woensdag 6 februari 2008

Dans ces murs voués aux merveilles

Et maintenant, petit panorama des quatre bâtiments (enfin non, des deux, recto-verso, disons) qui constituent ce fameux "Palais de Chaillot" (bâti conjointement en 1937 par Léon Azéma, Jacques Carlu et Louis-Hippolyte Boileau), dont j'ai toujours trouvé les en-têtes écrits dans un "français" un peu étrange. En fait (tous renseignements pris), il s'agit de quatre poèmes de Paul Valéry :


En clair et dans l'ordre :

1) Dans ces murs voués aux merveilles

J’accueille et garde les ouvrages

De la main prodigieuse de l’artiste

Égale et rivale de sa pensée

L’une n’est rien sans l’autre


2) Choses rares ou choses belles

Ici savamment assemblées instruisent l’oeil à regarder

Comme jamais encore vues

Toutes choses qui sont au monde


3) Tout homme crée sans le savoir

Comme il respire

Mais l’artiste se sent créer

Son acte engage tout son être

Sa peine bien-aimée le fortifie


4) Il dépend de celui qui passe

Que je sois tombe ou trésor

Que je parle ou me taise

Ceci ne tient qu’à toi

Ami n’entre pas sans désir


Bron: http://vincentthe2.blogspot.com/2007/06/trocadro.html

dinsdag 5 februari 2008

Trocadéro

The Trocadéro from the Eiffel Tower

The Trocadéro from the Eiffel Tower


The Trocadéro, site of the Palais de Chaillot, is an area of Paris, in the 16th arrondissement, across the Seine from the Eiffel Tower. The hill of the Trocadéro is the hill of Chaillot, a former village.

Origin of the name

In the Battle of Trocadero, the fortified position on the Bay of Cádiz in the south of Spain, was captured on August 31, 1823, by French forces led by the Duc d'Angoulême, son of the future king Charles X. The goal was to intervene against the liberal Spanish who were rebelling against the autocracy of Ferdinand VII. Trocadero restored the autocratic Spanish Bourbon Ferdinand to the throne of Spain, in an action that defined the Restoration. The name trocadero comes from the term referring to an emporium or place of trade.

The event was considered worthy of commemoration in Paris: the name place du Trocadéro was given in 1877 (though the name had been associated with the area since 1823) to a square formerly known as the place du Roi de Rome (i.e., Place of the King of Rome), the renaming being an example of discarding a reference to a defeated regime. Today that square is officially named place du Trocadéro et du 11 Novembre, though it is usually simply called the place du Trocadéro.

The stylish connotations of the Place du Trocadéro inspired, first, the Trocadero Restaurant in London, and then multitudes of nightclubs and cinemas named "Trocadero".

The old Palais du Trocadéro


The hill of Chaillot was first arranged for the 1867 World's Fair.


For the 1878 World's Fair, the (old) Palais du Trocadéro was built here (where meetings of international organizations could be held during the fair). The palace's form was that of a large concert hall with two wings and two towers; its style was a mixture of exotic and historical references, generally called "Moorish" but with some Byzantine elements. The architect was Gabriel Davioud. The concert hall contained a large organ built by Aristide Cavaillé-Coll, the first large organ to be installed in a concert hall in France. It was removed to a hall in Lyon and subsequently destroyed by fire. The building proved unpopular, though the cost expended in its construction delayed its replacement for nearly fifty years.

Below the building, in the space left by former underground quarries, a large aquarium was built to contain fishes of French rivers. It was renovated in 1937 but closed again for renovation in 1985. The space between the palais and the Seine is set with gardens, designed by Jean-Charles Alphand, and an array of fountains.

The new Palais de Chaillot

The Palais de Chaillot seen through the Eiffel Tower

The Palais de Chaillot seen through the Eiffel Tower

For the Exposition Internationale of 1937, the old Palais du Trocadéro was demolished and replaced by the Palais de Chaillot which now tops the hill. It was designed in classicizing "moderne" style by architects Louis-Hippolyte Boileau, Jacques Carlu and Léon Azéma. Like the old palais, the palais de Chaillot features two wings shaped to form a wide arc: indeed, these wings were built on the foundations of those of the former building. However, unlike the old palais, the wings are independent buildings and there is no central element to connect them: instead, a wide esplanade leaves an open view from the place du Trocadéro to the Eiffel Tower and beyond.

The buildings are decorated with quotations by Paul Valéry, and they now house a number of museums:

It was on the front terrace of the palace that Adolf Hitler was pictured during his short tour of the vanquished city in 1940, with the Eiffel Tower in the background. This became an iconic image of the Second World War.

It is in the Palais de Chaillot that the United Nations General Assembly adopted the Universal Declaration of Human Rights on December 10, 1948. This event is now commemorated by a stone, and the esplanade is known as the esplanade des droits de l'homme ("esplanade of human rights").

Others

Five avenues come from the Trocadéro: the avenue Henri-Martin which goes to the porte de la Muette and passes in front of the lycée Janson de Sailly (Janson de Sailly secondary school); the avenue Paul Doumer which goes to the Muette; the avenue d'Eylau which goes to the place of Mexico; the avenue Kléber which goes to the place de l'Etoile; and the avenue d'Iéna which go to the musée Guimet. There is a big municipal library near the Trocadéro's square.


Bron :http://en.wikipedia.org/wiki/Trocad%C3%A9ro


zaterdag 2 februari 2008

Ridley Scott

Sir Ridley Scott (born November 30, 1937 in South Shields, Tyneside) is an Academy Award-nominated British film director and producer. His films include Alien, Blade Runner, Legend, Black Rain, Thelma & Louise, Gladiator, Black Hawk Down, Matchstick Men, Kingdom of Heaven, and American Gangster.


Background

Scott grew up in an Army family, meaning that for most of his early life his father — an officer in the Royal Engineers — was absent. Ridley's older brother, Frank, joined the Merchant Navy when he was still young and the pair had little contact. During this time the family moved around, living in (amongst other areas) Cumbria, Wales and Germany. After the Second World War the Scott family moved back to their native north-east England, eventually settling in Teesside (whose industrial landscape would later inspire similar scenes in Blade Runner). He enjoyed watching films. Among Scott's favourites were (and remain) Lawrence of Arabia, Citizen Kane and Seven Samurai.[1] Scott studied in Teeside from 1954 to 1958, at the West Hartlepool College of Art, graduating with a Diploma in Design. He progressed to an M.A. in graphic design at London's Royal College of Art from 1960 to 1962.

At the RCA, he contributed to the college magazine, ARK, and helped to establish its film department. For his final show he made a black and white short film, Boy and Bicycle, starring his younger brother, Tony Scott, and his father. The film's main visual elements would become features of Scott's later work; it was issued on the 'Extras' section of The Duellists DVD. After graduation in 1963 he secured a job as a trainee set designer with the BBC, leading to work on the popular television police series Z-Cars and the science fiction series Out of the Unknown. Scott was an admirer of Stanley Kubrick early in his development as a director. For his entry for the BBC traineeship Scott remade Paths of Glory as a short film.

He was assigned to design the second Doctor Who serial, The Daleks, which would have entailed realising the famous alien creatures. However, shortly before he was due to start work a schedule conflict meant that he was replaced on the serial by Raymond Cusick.[2] At the BBC, Scott was placed into a director training programme and, before he left the corporation, had directed episodes of Z-Cars, its spin-off, Softly, Softly, and adventure series Adam Adamant Lives!.

Five members of the Scott family are directors, all working for RSA. Brother Tony has been a successful film director for more than two decades; sons, Jake (40) and Luke (37), are both acclaimed commercials directors as is his daughter, Jordan (27). Jake and Jordan both work from Los Angeles and Luke is based in London.

Early career

Scott left the BBC in 1968 and established a production company, Ridley Scott Associates, working with Sir Alan Parker, Hugh Hudson, Hugh Johnson and employing his younger brother, Tony. Having cut his teeth on UK television commercials in the 1970s — most notably the 1974 Hovis advert, "Bike Round" (New World Symphony), which was filmed in Shaftesbury, Dorset — he graduated to Hollywood, where he produced and directed a number of top box office films.

The Duellists

The Duellists of 1977 was Ridley Scott's first feature film. It was produced in Europe and won a Best Debut Film medal at the Cannes Film Festival but made limited commercial impact in the US. Set during the Napoleonic Wars, it featured two French Hussar officers, D'Hubert and Feraud (played by Keith Carradine and Harvey Keitel). Their quarrel over an initially minor incident turns into a bitter, long-drawn out feud over the following fifteen years, interwoven with the larger conflict that provides its backdrop. The film is lauded for its historically authentic portrayal of Napoleonic uniforms and military conduct, as well as its accurate early-nineteenth-century fencing techniques recreated by fight choreographer William Hobbs.

Alien

Scott's box office disappointment with The Duellists was compounded by the success being enjoyed by Alan Parker with American-backed films — Scott admitted he was "ill for a week" with envy. Scott had originally planned to next adapt an opera, Tristan und Isolde, but after seeing Star Wars, he became convinced of the potential of large scale, effects-driven films. He therefore accepted the job of directing Alien, the ground-breaking 1979 horror/science-fiction film that would give him international recognition. Whilst mostly filmed in 1978, Scott's talent for high-quality production design and atmospheric visuals have ensured that Alien has an almost ageless quality and appeal to it.

While Scott would not direct the three Alien sequels, the female action hero Ellen Ripley (Sigourney Weaver) introduced in the first film, would become a cinematic icon. Scott was involved in the 2003 restoration and re-release of the film including media interviews for its promotion. At this time Scott indicated that he had been in discussions to make the fifth and final film in the Alien franchise. However, in a 2006 interview, the director remarked that he had been unhappy about Alien: The Director's Cut, feeling that the original was "pretty flawless" and that the additions were merely a marketing tool.[3]

Blade Runner


After a year working on the film adaptation of Dune, Scott signed to direct the film version of Philip K. Dick's novel Do Androids Dream of Electric Sheep?, (which would be retitled Blade Runner), following the sudden death of his brother Frank. Starring Harrison Ford and featuring an acclaimed soundtrack by Vangelis, Blade Runner was a flop when released in theatres in 1982, and was pulled shortly thereafter. However, it would eventually achieve cult status through re-issue on television and through home video. Scott's notes were used by Warner Brothers to create a rushed director's cut in 1991 which removed the voiceovers and modified the ending. Today Blade Runner is often ranked by critics as one of the most important science fiction films of the 20th century[4] and is usually discussed along with William Gibson's novel Neuromancer as initiating the cyberpunk genre. Scott personally supervised a digitally restored Blade Runner and

approved the Final Cut, which was released theatrically in Los Angeles and New York on 5 October 2007, and as an elaborate DVD release on 18 December 2007, following the resolution of a number of rights issues between Warner Bros and the film's guarantors.[5] Scott regards Blade Runner as his "most complete and personal film".[6]

"1984" Apple Macintosh commercial

In 1984, Apple Computer launched the Macintosh. Its debut was announced by a single broadcast of the now famous $1.5 million commercial, based on George Orwell's Nineteen Eighty-Four, and directed by Scott (as a result of his work on Blade Runner). The commercial was broadcast during the 1984 Super Bowl XVIII. Steve Jobs' intention with the ad was to equate Big Brother with the IBM PC and a nameless female action hero, portrayed by Anya Major, with the Macintosh.

The commercial is frequently voted top in surveys of influential marketing campaigns. For example, Advertising Age named it the 1980s "Commercial of the Decade", and in 1999 the US TV Guide selected it as number one in their list of "50 Greatest Commerc

ials of All Time".

The film resurfaced in the late 1990s when Apple made a QuickTime version of the commercial available for download from the Internet. It appeared numerous times on television commercial compilation specials, as well as on Nick-at-Nite during its "Retromercial" breaks. The making and presentation of this famous commercial formed the visual bookends for the docudrama Pirates of Silicon Valley.

Legend

In 1985, Scott directed Legend, a fantasy film produced by Arnon Milchan. Having not tackled the fairy tale genre, Scott decided to create a "once upon a time" film set in a world of fairies, princesses, and goblins. Scott cast Tom Cruise as the film's hero, Jack, Mia Sara as Princess Lily, and Tim Curry as the Satan-like Lord of Darkness. But a series of problems with both principal photography and post-production (including heavy editing and substitution of Jerry Goldsmith's original score) hampered the film's release and as a result Legend received scathing reviews. It has since become a cult classic thanks to a DVD release that restores Scott's original, intended vision.

Someone to Watch Over Me and Black Rain

Hungry for a real box office hit and also for respect from the press which considered him a commercial filmmaker devoted only to fantastic visuals without much substance, Scott decided to postpone further incursions into the science fiction and fantasy genre, in order to avoid being typecast, by focusing more in down to earth mature suspense thrillers.

Among them came Someone to

Watch Over Me, a romantic police drama starring Tom Berenger, Lorraine Bracco and Mimi Rogers in 1987, and Black Rain, a 1989 cop drama starring Michael Douglas and Andy Garcia, shot partially in Tokyo and Osaka, Japan. Both met with mild success at the box office.

Again, Scott was praised for his lavish visuals, but was still being criticised for making films that were little more than extended versions of his glossy TV commercials, which he kept directing due to the lucrative nature of the advertising business.

Thelma & Louise

Thelma & Louise was released in 1991 and starred Geena Davis as Thelma, Susan Sarandon as Louise, and Harvey Keitel as a sympathetic detective trying to solve crimes that the two women find easier and easier to commit. The movie proved to be a success and revived Scott's reputation as a film maker, earning his first Oscar nomination. Scott's next project was the independent movie 1492: Conquest of Paradise, a visually striking take on the story of Christopher Columbus, yet usually considered to be his most slowly paced movie. It would be four years before Scott released another film.

Mature period

In 1995 Scott, together with his brother Tony, formed the film and television production company Scott Free Productions in Los Angeles. All of his subsequent feature films, starting with White Squall and G.I. Jane, a female tabloid version of Full Metal Jacket starring Demi Moore and Viggo Mortensen, have been produced under the Scott Free banner. Also in 1995, the two brothers purchased a controlling interest in Shepperton Studios that was later merged with Pinewood Studios. Scott and his brother are currently producing (since 2005) the CBS series Numb3rs - a crime drama focused on a mathematician who helps the FBI solve crimes using his genius in mathematics.


Gladiator and subsequent works

The huge success of Scott's film Gladiator (2000) has been credited with the revival of the nearly defunct genre of the "sword and sandal" historical epic.[citation needed] Scott then turned to Hannibal, the sequel to Jonathan Demme's The Silence of the Lambs. 2001 also saw the release of Scott's war film Black Hawk Down (2001),

which further established Scott's position as both a critically and financially successful film maker and went on to earn two Oscars.

In 2003, Scott directed Matchstick Men, adapted from the novel by Eric Garcia, and starring Nicolas Cage, Sam Rockwell and Alison Lohman. It received mostly positive reviews and performed moderately at the box office.

In 2005, the director made the internationally successful Kingdom of Heaven, a movie about the Crusades that consciously sought to connect history to current events. While on location in Morocco during filming, Scott reportedly received threats from extremists. The Moroccan government also sent the Moroccan cavalry as extras in the epic battle scenes.

Unhappy with the theatrical version of the film (which he blamed on paying too much attention to the opinions of preview audiences), Scott supervised a director's cut of Kingdom of Heaven, which was released on DVD in 2006.[7] In an interview to promote the latter, when asked if he was against previewing in general, Scott had this to say on the subject:

"It depends who's in the driving seat. If you've got a lunatic doing my job, then you need to preview. But a good director should be experienced enough to judge what he thinks is the correct version to go out into the cinema."[8]

A Good Year and American Gangster

Scott teamed up again with actor Russell Crowe, directing the movie A Good Year, which is based on the best-selling book. The film was released on 10 November 2006, with a score by Marc Stretenfield. Rupert Murdoch, chairman of News Corp and Subsidiary studio 20th Century Fox (who backed the film) dismissed A Good Year as "a flop" at a shareholders' meeting only a few days after the film was released.[9]

Scott's next directorial work was on American Gangster, working for the first time with Denzel Washington and again with Russell Crowe. He is the third director to attempt the project after Antoine Fuqua's attempt (under the working title Tru Blu) was shut down by the studio due to an escalating budget. Washington had been cast in that incarnation of the project (reuniting him with Fuqua who had directed him in his Best Actor Oscar-winning performance in Training Day) as well as Benicio del Toro, who were both paid salaries of $20m and $15m respectively without doing any production on the film. The project was then handed to the director of Hotel Rwanda, Terry George, who was rumoured to be working on a less harsh version of the script with Don Cheadle in the starring role. Eventually George and Cheadle dropped out and Scott took over the project in early 2006.

Bron : http://en.wikipedia.org/wiki/Ridley_Scott

vrijdag 1 februari 2008

Alien


" Final report of the commercial starship Nostromo, third officer reporting. The other members of the crew, Kane, Lambert, Parker, Brett, Ash and Captain Dallas, are dead. Cargo and ship destroyed. I should reach the frontier in about six weeks. With a little luck, the network will pick me up. This is Ripley, last survivor of the Nostromo, signing off. "











Bron: http://imdb.com/title/tt0078748/

dinsdag 15 januari 2008

Paris, Texas



Een man in pak loopt door de woestijn. Het pak is verfomfaaid, de man draagt een baard van een paar weken en heeft een petje op tegen de zon. Dit is de openingsscène van Paris, Texas (1984) en dit is ook het eerste idee waarmee regisseur Wim Wenders en scenarioschrijver Sam Shepard in de zomer van 1982 aan het verhaal begonnen. Een man die door de Mojave-woestijn dwaalt zonder dat duidelijk is waar hij vandaan komt of waar hij naar toe gaat.

Wenders en Shepard konden die zomer nog niet bevroeden dat ze twee jaar later een meesterwerk zouden afleveren waarmee ze een Gouden Palm zouden winnen. Het verhaal kwam met horten en stoten tot stand, zo blijkt uit Wenders' audiocommentaar op de dvd, en ze hadden nog geen idee waar ze zouden eindigen toen ze al met filmen waren begonnen. Een riskante onderneming dus, waar geen Hollywoodstudio zich ooit aan zou wagen. Maar Paris, Texas is een Duits-Franse coproductie, en in Europa had Wenders met onder meer Der Amerikanische Freund en Im Lauf der Zeit al genoeg krediet opgebouwd om het vertrouwen van de producenten te winnen.

Onvoorstelbaar
Het is onvoorstelbaar dat Paris, Texas onder deze omstandigheden toch zo goed heeft uitgepakt. Toen de eerste helft van de film gedraaid werd, wist geen van de betrokkenen waarom de man (gespeeld door de vooral van bijrollen bekende acteur Harry Dean Stanton) door die woestijn liep en zweeg in alle talen. Waarom zijn broer (Dean Stockwell) al vier jaar taal noch teken van hem en zijn vrouw vernomen had en waarom hun zoontje bij die broer was achtergelaten. Dat is lastig om te acteren, maar de scènes met de twee broers die elkaar na al die jaren weerzien worden er niet minder om. Alleen achteraf, met de kennis over het vreemde productieproces, zie je dat de acteurs eigenlijk nog geen idee hadden waar ze mee bezig waren.

Toen de scènes in de woestijn en in Los Angeles – waar de man zijn inmiddels bijna achtjarige zoontje (Hunter Carson) terugziet en er een langzame toenadering tussen hen ontstaat – gedraaid waren, was het einde van het script bereikt. Schrijver Shepard was inmiddels met een andere film bezig (als regisseur), waarop Wenders besloot in zijn eentje het vervolg te schrijven. De cast en crew kregen twee weken vrij. Vanaf dat moment had het finaal mis kunnen gaan. Er was een verzameling prachtige scènes, niet in het minst door het felgekleurde camerawerk van Robby Müller en de lome gitaarmuziek van Ry Cooder, maar met een afgeraffeld tweede deel heb je natuurlijk geen goede film.

Vader-zoonfilm
Na een kunstgreep – vrouw van broer weet meer, maar had het nooit iemand verteld – kan Stanton gericht op zoek gaan naar zijn vrouw, en hij neemt zoonlief mee. Op basis van het ruwe script van Wenders improviseren de twee er in de auto op los, met veel verhalen van het joch over astronomie. Ook hier zakt de film wonderwel niet in. Van een film over de relatie tussen twee broers is het een vader-zoonfilm geworden, en een heel goede. Subtiel, zonder al te veel sentiment. Begeleid door imponerende beelden van een spaghetti aan wegen en viaducten, die de desolate woestijn uit het begin van de film hebben vervangen.

Shepard was op tijd terug om het laatste deel van Wenders' schetsen, dat zich afspeelt in Houston, in sneltreinvaart nader uit te werken. De acteurs (Stanton en Nastassja Kinski, die zijn teruggevonden vrouw speelt) kregen vervolgens drie dagen de tijd om de nieuwe tekst uit hun hoofd te leren. Deze haastklus mondt uit in een van de hoogtepunten uit de filmgeschiedenis, waarvan ik inhoudelijk niets zal prijsgeven. Maar een twintig minuten durende dialoog in een op z'n zachtst gezegd ongewone omgeving, met langdurige close-ups van de luisterende in plaats van de sprekende partij, en een onafgebroken emotioneel shot van acht minuten, dat is simpelweg filmmaken op zijn best. "Als ik de film nu gemaakt zou hebben, zou ik veel vaker gesneden hebben," zegt Wenders twintig jaar later, "mensen zijn zo snel verveeld tegenwoordig." Godzijdank dateert deze film uit 1984 en kunnen we er nu nog, op dvd, van genieten.

Bron : http://www.8weekly.nl/index.php?art=4821

dinsdag 8 januari 2008

Las Casas

Las Casas over de Spaanse wreedheden:

Tot op de dag van vandaag, nu reeds meer dan 40 jaar lang, hebben we niets anders gezien en gehoord dan verhalen van moord, foltering, schrikbewind, ontvoering en misbruik. (...)

Op het eerste eiland waar de Spanjaarden aankwamen, Hispaniola, blijven er van de 3 miljoen oorspronkelijke inwoners maar een 200 over. (...) De enige en ware reden waarom deze christenen een zo grote menigte onschuldige mensen uitmoordden, was enkel en alleen dat zij uit waren op hun goud.

De Indianen probeerden zich te verdedigen, maar met hun ontoereikende wapens waren ze geen partij voor de Spanjaarden. De Spanjaarden met hun paarden, lansen en zwaarden richtten ware slachtpartijen aan. Noch vrouwen, noch kinderen, noch oude mensen werden gespaard. Noch spaarden zij zwangere vrouwen of vrouwen die in het kraambed lagen, maar zij scheurden hen de buik open. Zij werden door de christenen in stukken gehakt, alsof het om vee ging in het slachthuis. De Spanjaarden hielden weddenschappen, over wie een man met één slag het hoofd kon afslaan of doormidden kappen, met een piek het hoofd kon splijten of hem de ingewanden uit het lijf rukken. Ze rukten baby's van hun moeders borsten en sloegen ze met hun hoofd tegen de stenen te pletter. Aan brede galgen hingen zij telkens dertien Indianen, ter ere van onze Verlosser en de twaalf apostelen, zó dat de voeten bijna de grond raakten, legden er hout onder en verbrandden hen levend. Rond het lichaam van een aantal Indianen bonden ze droog stro en dat staken ze dan in brand. Enkelen lieten ze leven en dan hakten ze die de handen af, hingen hen die handen dan weer om de nek en zeiden: " Zo kunnen jullie soortgenoten in de bergen zien wat hun te wachten staat."

De Indiaanse leiders werden meestal vastgebonden op een rooster van stokken en daaronder stak men een zacht vuurtje aan, net zolang tot ze uiteindelijk schreeuwend en krijsend in deze onzegbare kwellingen de geest gaven. Zo heb ik zelf gezien hoe men vier of vijf leiders aan het roosteren was en hoe de kapitein, die medelijden kreeg met de van pijn gillende ongelukkigen, zijn ondergeschikte verzocht de Indianen uit hun lijden te helpen en ze te wurgen. Maar deze weigerde dit en liet hen slechts de mond snoeren.

(Bartolomé de las Casas, Zeer kort relaas over de verwoesting van de Indiën, 1552. Ingekort naar de uitgave van M. van Nieuwstadt, Leuven, Kritak, 1992, p. 43-52.)

Bron : http://users.telenet.be/michel.vanhalme/conquis/conquis1.htm

maandag 7 januari 2008

Aguirre, the wrath of God


Regie en scenario: Werner Herzog
Met: Klaus Kinski, Helena Rojo, Del Negro, Ruy Guerra e.a.
94 min. / D / 1972


Er zijn wel meer regisseurs die zo hun fetisjacteurs hebben. Martin Scorsese en Robert De Niro hebben jarenlang samengewerkt. Om nog maar te zwijgen van Billy Wilder en Jack Lemmon, of Alfred Hitchcock en James Stewart. Maar niets valt te vergelijken met de relatie tussen regisseur Werner Herzog en acteur Klaus Kinski. Allebei moeilijke mensen, allebei perfectionisten, die conflicten opzochten, die niet geïnteresseerd leken in “makkelijke” films. Twee gigantische ego’s, met daarbij dan nog eens het feit dat Kinski, om het zo maar even uit te drukken, een ferme slag van de molen had. Hij had soms waanzinnige woedeuitbarstingen, weigerde om zijn teksten te leren, eiste van alles het beste op de set en als het hem niet naar de zin werd gemaakt was hij perfect in staat om gewoon z’n boeltje te pakken en weg te gaan. ‘Aguirre’, de eerste samenwerking tussen Herzog en Kinski, werd gedraaid in het regenwoud, praktisch zonder geld en met een crew van een man of acht – moeilijke omstandigheden, maar met een acteur als Kinski erbij was het helemaal een ramp. Het verhaal doet de ronde dat Herzog tegen het einde van de draaiperiode een pistool tegen Kinski’s hoofd zette om hem te verplichten verder te acteren.

En toch moet er iets tussen die twee mannen hebben bestaan, een soort van ziekelijke genegenheid, een haat-liefdeverhouding, waardoor ze meer dan vijftien jaar lang samen zijn blijven werken. ‘Aguirre’ is niet hun meest beruchte productie (dat is ‘Fitzcarraldo’, een nog grotere catastrofe dan deze), maar kwalitatief wel één van hun beste. Het verhaal draait rond een Spaanse expeditie die in de zestiende eeuw op zoek gaat naar El Dorado. Don Lope de Aguirre (Kinski), een krankzinnige edelman, heeft de leiding over de soldaten en de vele slaven die ze mee op sleeptouw nemen. In principe was het de bedoeling om de legendarische stad van goud te vinden ter meerdere eer en glorie van Spanje, maar naarmate de reis door het oerwoud verder gaat, wordt duidelijk dat Aguirre andere plannen heeft: hij wil in El Dorado een eigen koninkrijk stichten, waar hij de absolute alleenheerser is.

‘Aguirre’ werkt op een eerste niveau als een mooie illustratie van een oud thema, dat wel vaker terugkomt in films: het mens-versus-natuur verhaal. We zien de Spanjaarden zich een weg door het oerwoud worstelen, ze hakken de vegetatie uit hun weg, tot ze tot de conclusie komen dat het over land echt niet zal lukken. Vervolgens bouwen ze dan maar vlotten om via de rivier hun weg naar El Dorado te zoeken, maar daar worden ze dan weer geconfronteerd met gevaarlijke stroomversnellingen en onzichtbare inboorlingen die hen vanaf het land continu blijven aanvallen. De Spanjaarden horen hier niet thuis, en de natuur straft hen af. Het einde is wat dat betreft tekenend: Aguirre blijft alleen over, waanzinnig raaskallend op een uit elkaar vallend vlot, terwijl honderden kleine aapjes om hem heen lopen. De aapjes zullen waarschijnlijk langer leven dan hij.

Maar daarbij gaat ‘Aguirre’ ook over het conflict tussen de mens en zijn eigen natuur. Naarmate de reis verder gaat en de omstandigheden extremer worden, wordt de zuivere hebzucht van de expeditieleden steeds groter. Elke schijn van beschaving of menselijkheid verdwijnt, om plaats te maken voor de wet van de sterkste. De jungle is als het ware doorgegroeid in de hoofden van de personages.

In die zin is het niet moeilijk om te zien waar Francis Ford Coppola een deel van zijn mosterd haalde voor ‘Apocalypse Now’ – die film was in de eerste plaats natuurlijk een bewerking van ‘Heart of Darkness’, maar de toon ervan en enkele scènes waarin de protagonisten vanop de oevers aangevallen worden door de inboorlingen, zijn duidelijk geënt op wat Herzog hier deed. Maar Coppola had natuurlijk het geluk dat hij gebruik kon maken van de grote middelen, hij had de hele Hollywood-machine achter hem staan, wat van zijn prent een groter spektakel maakte. De logistieke beperkingen waarmee de filmmaker hier te kampen had, laten zich voelen. Simultaan geluid werd er niet opgenomen, en de Zuid-Amerikaanse acteurs moesten sowieso achteraf gedubd worden, wat resulteert in een soms nogal twijfelachtige lip sync. Ook de belichting en kadrering getuigen van een catch-as-catch-can-aanpak: er was geen tijd en geen geld om alles technisch helemaal op punt te krijgen, en dat zie je. Een gevolg daarvan is wel dat ‘Aguirre’ continu geladen is met de mogelijkheid dat er iets misloopt. De dreiging voor de personages lijkt bijzonder reëel, gewoon omdat de techniek waarmee ze in beeld wordt gebracht zo ruw is.

En dan is er nog Kinski, natuurlijk, in wiens ogen echte waanzin te lezen staat. Kinski heeft altijd iets angstaanjagends in z’n blik, iets onberekenbaars. Gedeeltelijk zal dat wel acteerwerk zijn geweest, natuurlijk, maar de verhalen van achter de schermen suggereren ook dat er meer van Aguirre in hem zat dan hij zelf misschien graag wilde toegeven. Feit blijft dat de intensiteit van de acteur immens is.

‘Aguirre’ is een film over mensen die de natuur aan zich willen onderwerpen om er zelf beter van te worden, en uiteindelijk ten onder gaan. In de hoofdrol zien we een man die zelf omschreven kan worden als een natuurkracht, en die uiteindelijk zichzelf ten val bracht: zijn carrière stelde hoe langer hoe minder voor – het was alleen wanneer Herzog hem van onder het stof haalde, dat hij nog eens iets memorabels wist te presteren. Uiteindelijk stierf hij aan een hartaanval, één van de meest geminachte personen uit de filmwereld. Een Aguirre in het klein, dus, die het einde van de rivier nooit haalde.