Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen

dinsdag 26 februari 2008

De koolstof-14 dateringsmethode

  • De koolstof-14 dateringsmethode is bruikbaar voor objecten tot circa 60 duizend jaar oud.
  • De methode is gebaseerd op het radioactieve verval van koolstof-14, ook wel geschreven als C-14
  • Voor objecten ouder dan 50 tot 60 duizend jaar zijn er alternatieven gebaseerd op het verval van kalium-40, uranium-235, uranium-238, thorium-232 en anderen met een lange halveringstijd

Iedereen heeft wel eens gelezen over fascinerende archeologische ontdekkingen. Er vindt een opgraving plaats, allerlei interessante objecten worden opgegraven, waarna een archeoloog triomfantelijk vertelt dat een botje ongeveer 5000 jaar oud is. Maar hoe weet die man dat?

Soms zijn er historische aanwijzingen zoals een bepaalde bouwstijl van een grafmonument, of een inscriptie in steen of ander materiaal. Maar als dat alles niet voldoende overtuigend is, is er gelukkig nog de natuurkunde. Die biedt ons de zogenoemde koolstof-14 methode waarmee objecten tot een ouderdom van ongeveer 60 duizend jaar nog betrouwbaar kunnen worden gedateerd, als ze van biologische oorsprong zijn. Dus plantenresten, botten, kleding, hout en dergelijke kunnen ermee worden gedateerd.

De bron van koolstof-14 (C-14): Straling uit de ruimte
Iedere dag komt er kosmische straling, straling uit de ruimte in de atmosfeer van de Aarde terecht. Daar kunnen we niets aan doen. Iedereen op deze planeet wordt per uur een paar honderdduizend keer geraakt door kosmische straling. Het gebeurt ook wel dat de kosmische straling botst met een deeltje in de atmosfeer. Wanneer een atoom in de atmosfeer zo geraakt wordt, kan er een secondaire straling vrij komen in de vorm van een klein deeltje, een energierijk neutron. Dit neutron kan op zijn beurt weer botsen met een stikstof atoom. Zoals bekend bestaat de lucht om ons heen ongeveer voor 80% uit stikstof. Na zo'n botsing met een stikstofatoom kan een stikstof-15 atoom ontstaan (bevat 7 protonen en 8 neutronen). Dit radioatieve atoom vervalt weer tot koolstof-14 (6 protonen, 8 neutronen) en een waterstof atoom (1 proton, nul neutronen). C-14 is radioactief, met een halveringstijd van 5730 jaar.
Belangrijk is te onthouden dat C-14 continu aangemaakt wordt via een hele reeks processen, die door de kosmische straling in gang worden gehouden.

Koolstof-14 zit in alle levende wezens
De C-14 die uit kosmische straling is ontstaan, reageert met zuurstof en vormt kooldioxide, wat ook wel koolzuurgas wordt genoemd. Dit gas wordt door planten opgenomen in het fotosynthese proces. Mensen en en dieren eten planten en nemen dus indirect ook kooldioxide op, met het radioactieve C-14.
Van alle soorten koolstof op de Aarde komt het 'normale' koolstof, koolstof-12 (C-12), het meeste voor. C-12 is niet radioactief. Het radioactieve C-14 vormt maar een hele kleine fractie van alle koolstof op de wereld, maar het is wel te meten in de lucht en in alle levende wezens.
Zoals alle radioactieve elementen vervalt koolstof-14 (C-14) en heeft een zogenoemde halveringstijd van ongeveer 5730 jaar. Als je een paar gram C-14 hebt, en je wacht 5730 jaar, dan is de helft vervallen en dus niet meer radioactief.
De verhouding C-12 tot C-14 in de lucht is constant en is dat ook in alle levende wezens. De C-14 atomen vervallen wel, maar ze worden steeds weer vervangen door nieuwe C-14 die door de kosmische straling wordt aangemaakt.

Het dateren, een formule
Zodra een levend wezen sterft, houdt het op met koolstof op te nemen. De verhouding C-12 tot C-14 op dat moment is het zelfde als voor ieder levend wezen, maar de C-14 vervalt en wordt niet meer vervangen. De C-14 vervalt met halveringstijd 5730 jaar, terwijl de hoeveelheid C-12 gelijk blijft. door nu naar de verhouding van C-12 tot C-14 te kijken en dat te vergelijken met de verhouding in een levend wezen, is het mogelijk de ouderdom (t) van het te dateren object (bot, stuk hout etc.) vrij nauwkeurig te bepalen.
Een formule hiervoor is:

t = ln (Nt/No) x t1/2 / (-0.693)

Hierin is ln de natuurlijke logaritme, Nt/No is het percentage koolstof-14 in het monster vergeleken met de hoeveelheid die in levend weefsel wordt aangetroffen en t1/2 is de halfveringstijd van C-14 (5730 jaar).

Stel je hebt een fossiel dat maar 10 procent C-14 bevat van wat een levend exemplaar zou moeten bevatten, dan is de ouderdom als volgt te berekenen:

t = ln (0.10) x 5730 / (-0.693) jaar

t = (-2.303) x 5730 / (-0.693) jaar

t = 19040 jaar oud

Dateren van héél oude objecten
De halveringstijd van C-14 is ongeveer 5730 jaar. Voor objecten ouder dan ongeveer 60 duizend jaar is deze methode niet goed te gebruiken, de hoeveelheid C-14 is dan erg klein geworden. Echter in deze gevallen kan men andere stoffen voor de analyse gebruiken met veel grotere halveringstijden. Het principe blijft dan het zelfde. Voorbeelden van een bruikbaar element is kalium-40 dat ook in ons lichaam voorkomt (halveringstijd 1,3 miljard jaar).

Waar wordt C-14 datering in Nederland gedaan?
"Vroeger" werd de zogenoemde koolstof-14 (C-14) datering op diverse plaatsen in Nederland uitgevoerd, ondermeer in Petten bij NRG (destijds ECN-Nucleair). De C-14 datering is echter een bewerkelijke en dus dure zaak, die alleen rendabel voor bedrijven is als er voldoende daterings-opdrachten zijn. Omdat deze opdrachten niet zo talrijk zijn, zijn veel universiteiten en bedrijven zoals NRG gestopt met de dateringen.

Er is in ieder geval nog 1 plek waar men in Nederland terecht kan voor C-14 datering:
Het centrum voor koolstofdateringen is tegenwoordig de Rijks Universiteit van Groningen. Het Centrum voor IsotopenOnderzoek (CIO) van de universiteit heeft bovendien bijgedragen aan de ontwikkeling van deze methode. Het adres van het CIO is:
Nijenborgh 4, 9747 AG Groningen, tel 050-3634760, fax 3634738


Webadres: www.cio.phys.rug.nl

vrijdag 22 februari 2008

An inconvenient truth

Regie: Davis Guggenheim
Script en presentatie: Al Gore
100 min. / USA / 2006



Wie ooit ‘The Day After Tomorrow' heeft gezien wist het al lang, en nu komt voormalig vice-president Al Gore het ons bevestigen: het broeikaseffect is niet om mee te lachen. Gore was de rechterhand van Bill Clinton toen die in het Witte Huis zat, maar verloor het presidentschap van de VS aan de twijfelachtige praktijken van George W. Bush in 2000. Sindsdien heeft hij de halve wereld afgereisd als ecokrijger, met een gepassioneerde toespraak over de gevaren van de globale opwarming. Geholpen door een uitgebreide diashow, met statistieken, foto's en filmpjes, probeert hij zijn publiek duidelijk te maken wat de gevolgen kunnen zijn van de steeds toenemende CO2-productie die we veroorzaken. Manhattan dat onder water loopt, zodat enkel de toorts van het vrijheidsbeeld nog net boven de oppervlakte komt, zoals in ‘The Day After Tomorrow'? Zo gek vergezocht blijkt dat beeld niet eens te zijn.

Het discours dat Gore houdt is niet zo nieuw, voor wie de laatste jaren een beetje heeft opgelet. De koolstofdioxide die we met onze industrie en onze wagens de lucht inpompen verhindert de infrarode straling van het zonlicht om de atmosfeer te verlaten - de hitte blijft hangen in plaats van weg te kaatsen, met als gevolg hogere temperaturen op aarde. ‘De warmste tien jaar sinds mensenheugnis vonden allemaal plaats tijdens de laatste veertien jaar,' legt Gore uit. Eén gevolg daarvan is dat de poolkappen smelten, wat rampzalige overstromingen tot gevolg zal hebben. Een ander dat de zeeën opwarmen, wat indirect aanleiding geeft tot orkanen en tropische stormen - we krijgen beelden te zien van de ravage die orkaan Katrina een jaar geleden aanrichtte, een windhoos die gaandeweg toenam in kracht, dankzij de warme oceaantemperaturen. Nog een gevolg is dat de verhoogde hitte het vocht uit de bodem trekt, met desastreuze droogtes in bepaalde delen van Afrika en Zuid-Amerika tot gevolg. Tijdens één van de meest memorabele momenten in Gores betoog, zien we op een wereldkaart hoe verschillende landen worden verzwolgen door het water na het smelten van de ijskappen. India, grote delen van Azië, maar ook Nederland, Florida en New York zullen grotendeels ophouden te bestaan. We zien hoe het groen op de kaart langzaam blauw wordt terwijl Gore ons een beeld aanbiedt dat fascinerend is in al z'n gruwelijkheid: "Beeld je in wat voor chaos enkele duizenden vluchtelingen al betekenen. En beeld je dan in dat je met 100 miljoen vluchtelingen zit."

Voor iedereen die een beetje het nieuws volgt en wil begrijpen, is dit in feite niets nieuws: we weten dat het milieu totaal aan het flippen is (kijk maar naar de zomer die we in 2006 net gehad hebben: een maand stikkende hitte, een maand niets dan regen, gevolgd door nog twee weken hitte) en we weten dat wij ervoor verantwoordelijk zijn. Maar hey, zo'n bezinezuipend slagschip waar tien mensen gemakkelijk in kunnen kamperen rijdt gewoon lekker, dus waarom niet? Oké, we rijden er meestal op ons eentje in, maar toch... Iedereen schijnt te weten dat het radicaal fout aan het lopen is, maar niemand schijnt echt happig te zijn om er iets aan te doen. "Dit is een politieke kwestie," zegt Gore, en je kunt hem moeilijk ongelijk geven. Momenteel is er in de VS een president aan de macht die verkozen werd dankzij de steun van de olielobby - het is geen toeval dat diezelfde president vervolgens grijnzend z'n reet veegt aan de Kyoto-overeenkomst en zijn landgenoten verzekert dat ze absoluut geen schrik moeten hebben om in milieu-onvriendelijke, immens veel verbruikende wagens te blijven rijden. Mensen die beweren dat hij daarmee een o zo kleine fout maakt, worden afgedaan als links-liberale, paniek zaaiende geitenwollensokken. Daar sta je dan, wanneer het grootste, meest vervuilende land ter wereld officieel weigert te erkennen dat er een globale crisis op til staat.

Dat alles wordt door Al Gore uitgelegd op een opvallend heldere, welbespraakte manier. De man stond tijdens de presidentsverkiezingen min of meer bekend als een houten klaas die moeilijk contact kon leggen met een groot publiek, maar hier toont hij zich een overtuigend redenaar. ‘An Inconvenient Truth' is in principe weinig meer dan een registratie van zijn toespraak en slide show, maar de lucide manier waarop Gore zijn betoog levert is voldoende om er tot het einde je aandacht helemaal bij te houden. Hij gebruikt humor met wisselend succes (niet al zijn grapjes komen even goed over), maar hij kent zijn onderwerp overduidelijk door en door en wat hij te zeggen heeft klinkt altijd zinnig, logisch, helder geformuleerd en brandend relevant. Anderhalf uur lang voor een groot projectiescherm staan praten over het klimaat en het milieu zónder je publiek te vervelen, da's een prestatie.

Het zijn de scènes tussendoor die de film toch een beetje aan kracht doen inboeten: op gezette tijden tussen Gores speech krijgen we kortere scènes te zien waarin de eco warrior terug naar zijn ouderlijk huis gaat, herinneringen ophaalt aan het ongeluk dat zijn zoontje ooit had of waarin wordt teruggekeerd naar zijn verkiezingsnederlaag in 2000. Die tussenstukjes zijn duidelijk bedoeld om "de mens Al Gore" naar voren te brengen, zodat de film niet louter een opeensomming van wetenschappelijke feiten wordt. De bedoeling is best, maar in de praktijk kijk je ernaar als een onnodige afleiding van het echte onderwerp.

Wie deze recensie al tot hier heeft gelezen, zal waarschijnlijk geïnteresseerd genoeg zijn om ook te gaan kijken. De traditionele genoegens van een goeie film vind je hier niet: dit is geen hersenloos entertainment, het biedt geen ontspanning, je kunt er niet met je vriendinnetje naartoe om te gaan zitten muilen op de achterste rij, en tenzij je écht een fanatiek zwemmer bent, kan ik me ook niet voorstellen dat je er gelukkig buitenkomt. Wat je wel krijgt, is een intens fascinerende blik op een mogelijke toekomst - één die we nog kunnen vermijden als we daar maar voldoende inzicht en lef voor hebben. ‘An Inconvenient Truth' is een wake up call, zeker voor het slag Amerikanen dat nog steeds denkt dat het terrorisme de grootste bedreiging is die hen parten speelt. Of de prent ook effectief resultaat zal bereiken is een andere vraag, maar niet voor de eerste keer in de laatste jaren, vraag je je na het kijken toch af hoe anders de wereld er nu zou hebben uitgezien als het in 2000 anders was afgelopen, daar in Florida.

Bron : http://www.digg.be/movie.php?id=1166

Global warming


Gemiddelde mondiale temperatuur 1856-2007.

Gemiddelde mondiale temperatuur 1856-2007.

Verandering temperatuur t.o.v. periode 1940-1980.

Verandering temperatuur t.o.v. periode 1940-1980.

De concentratie CO2 is sinds de industriële revolutie explosief toegenomen.

De concentratie CO2 is sinds de industriële revolutie explosief toegenomen.

Activiteit van de zon.

Activiteit van de zon.

Verandering in de stralingsforcering (bijdrage aan het broeikaseffect) tussen 1750 en 2005.

Verandering in de stralingsforcering (bijdrage aan het broeikaseffect) tussen 1750 en 2005.

Bijdrage van verschillende factoren aan de opwarming van de Aarde.

Bijdrage van verschillende factoren aan de opwarming van de Aarde.

Tussen 1900 en 2000 is de zeespiegel 18,5 cm gestegen.

Tussen 1900 en 2000 is de zeespiegel 18,5 cm gestegen.

Gemiddelde temperatuur in De Bilt sinds 1706. Bron: KNMI

Gemiddelde temperatuur in De Bilt sinds 1706. Bron: KNMI

Een verandering van de temperatuur heeft een significante invloed op de broedperiode van de kievit in Friesland.

Een verandering van de temperatuur heeft een significante invloed op de broedperiode van de kievit in Friesland.


De opwarming van de Aarde (ook wel versterkt broeikaseffect of global warming genoemd) beschrijft het fenomeen waarbij een stijging van de gemiddelde temperatuur van de Aarde waargenomen wordt. Sinds het begin van de twintigste eeuw is de gemiddelde temperatuur met ongeveer 0,74°C gestegen. Het is zeer waarschijnlijk dat deze temperatuurstijging wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten: door het verbranden van fossiele brandstoffen, ontbossing en bepaalde industriële en landbouwactiviteiten stijgt de concentratie aan broeikasgassen in de aardatmosfeer. Modelberekeningen geven aan dat de temperatuur met 1,4°C tot 6,4°C stijgt tussen 1990 en 2100. Met name temperatuurstijgingen van meer dan 2°C zouden grote veranderingen met zich meebrengen voor mens en milieu, door zeespiegelstijging, toename van droogte- en hitteperioden, extreme neerslag en andere effecten.[1]

Stand van de wetenschap

Alle relevante wetenschappelijke artikelen over de opwarming van de Aarde die zijn gepubliceerd tot 2007 worden beschreven in het rapport van de Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), dat ingesteld is door de Verenigde Naties om de huidige wetenschappelijke, technische en sociaal-economische kennis aangaande de opwarming van de Aarde te beoordelen en samen te vatten. Om de vijf à zes jaar brengt het IPCC een rapport uit. Het vierde en meest recente rapport is in de loop van 2007 voltooid. Dit rapport stelt dat "het zeer waarschijnlijk is dat het grootste deel van de opwarming van de laatste 50 jaren kan worden toegeschreven aan menselijke activiteit". Tevens stelt dit rapport dat de opwarming van de Aarde "onmiskenbaar" aan de gang is.[1]

Het is ingewikkeld om de precieze temperatuurverandering vast te stellen. Voor 1860 werden temperatuurmetingen niet systematisch uitgevoerd en zijn vanwege het gebrek aan technische hulpmiddelen en de beperkte geografische spreiding onnauwkeurig. Metingen van de historische aardtemperatuur worden daarom gedaan aan de hand van secundaire effecten, zoals de jaarringen van bomen, de ontwikkeling van koraal en de resten van gassen in ijs op Antarctica. Deze afgeleide metingen zijn echter onnauwkeuriger dan de moderne temperatuurmetingen, en dus is het moeilijk vast te stellen of de temperatuur nu significant hoger is dan 1000 jaar geleden.[2] Het is wel duidelijk dat in de afgelopen 100 jaar de temperatuur met zo'n 0,74°C is toegenomen.[1]

Er wordt gebruik gemaakt van modellen die zijn opgesteld om de verdere stijging van de temperatuur en de grootte van de invloed van de mens daarop te bepalen. De klimaatscenario's geven aan dat de temperaturen met 1,4°C tot 6,4°C zullen stijgen tussen 1990 en 2100, vooral afhankelijk van de socio-economische scenario's die de toekomstige broeikasgasemissies berekenen.

  • Voor het zogenaamde "low emission scenario"[3] is de verwachte temperatuurstijging rond 1,8°C ergens tussen 1,4 en 2,9°C.
  • Voor het zogenaamde "high emission scenario"[4] is de verwachte temperatuurstijging 4,0°C ergens tussen 2,4 en 6,4°C.

Verklaringen

Het IPCC concludeert in zijn rapport van 2007 dat de opwarming sinds de industriële revolutie vooral het gevolg is van de uitstoot van broeikasgassen als kooldioxide (CO2) en methaan (CH4). De grootse onzekerheden komen van fijn stof en de invloed van wolken (zie nevenstaande figuur). De concentraties van die gassen in de atmosfeer zijn momenteel de hoogste in minstens 650.000 jaar. De toename is grotendeels het gevolg van menselijk handelen, vooral verbranding van fossiele brandstoffen (inclusief de onbedoelde kolenbranden in China), productie van cement en glas, maar ook door landbouw, veeteelt en verandering van landgebruik, vooral ontbossing. Er zijn ook andere bijdragen aan de opwarming, zoals geologische cycli, zonne-activiteit en vulkanisme, maar deze zijn relatief (zeer) klein.[1] De emissies van CO2 door vulkanen zijn veel lager dan antropogene emissies[5] en het aantal zonnevlekken correleert sinds 1950 redelijk met temperatuurfluctuaties, maar in de eerste helft van de 20ste eeuw is juist sprake van een anticorrelatie.[6][7]

Er zijn wetenschappers die kritiek hebben op deze conclusies. Zij stellen bijvoorbeeld dat het IPCC data verkeerd interpreteert, de aarde helemaal niet opwarmt, dat de oorzaak niet goed aan te duiden is, dat de onzekerheden veel groter zijn dan dat het IPCC aangeeft, of dat de zon een belangrijke rol speelt. Geen van de geopperde alternatieve verklaringen voor de opwarming van de Aarde[8] is tot nu in staat geweest de gemeten temperatuurstijging sinds 1900 te verklaren. Geoloog Salomon Kroonenberg relativeert de IPCC-conclusies, omdat volgens hem over 10.000 jaar het interglaciaal afloopt en de aarde dan sowieso weer afkoelt. Hij stelt dat we beter kunnen investeren in hogere dijken dan in het terugdringen van broeikasgasemissies. Zie de links-sectie voor een verwijzing naar een samenvatting van de controverse rondom de opwarming van de Aarde.

Verwachte effecten

De belangrijkste gevolgen van klimaatverandering (opwarming) zijn in laaggelegen tropische en droge tropische gebieden, en vooral in de poolgebieden nu al zichtbaar. Met name ontwikkelingslanden zijn kwetsbaar voor klimaatverandering, omdat zij minder mogelijkheden hebben voor adaptatie. In de komende 50 à 100 jaar treden de volgende verschijnselen op:[1]

  • Stijging van het zeeniveau (over de vorige eeuw geschat op 1 à 2 mm per jaar, 3 mm per jaar sinds 1992). Het aantal mensen dat getroffen wordt door overstromingen toenemen van 13 naar 94 miljoen per jaar;
  • Afname in landbouw productiviteit: dit wordt verwacht in gebieden waar droogte door klimaatverandering toeneemt, zoals in het Midden-Oosten en India;
  • Toename van extreme weersomstandigheden en verandering van neerslagpatronen. In Nederland verwacht het KNMI een toename van de neerslag in de winter, wat gevolgen heeft voor de waterafvoer van infrastructuur en riolering;
  • Verspreiding van ziekten zoals malaria;
  • Aantasting van ecosystemen: klimaatverandering gaat samen met de verschuiving van klimaatzones. De biodiversiteit op Aarde verandert: soorten die in koudere gebieden beter gedijen zullen in aantal afnemen bij opwarming en soorten die warmere klimaten prefereren zullen in aantal afnemen bij afkoeling. Biomen, specifieke geografische gebieden met karakteristieke soorten, zullen van plaats of van grootte veranderen.[9] Sommige planten en dieren kunnen zich niet snel genoeg aanpassen, waardoor ze met uitsterven worden bedreigd.
  • Klimaatverandering kan op een aantal plaatsen leiden tot meer droogte, wat kan leiden tot meer bosbranden en woestijnvorming.;
  • Zoetwatertekort: een groot gedeelte van de wereldbevolking leeft in landen waar een tekort is aan schoon drinkwater. Klimaatverandering kan het watertekort in diverse regio's, zoals het Midden-Oosten, de Sahel en Australië, groter maken; Voor andere gebieden kan er een gunstig effect optreden: in sommige klimaatscenario's wordt in Noord Afrika een toename van neerslag voorspeld.
  • Vernietiging van het koraalrif, al is dit technisch gezien een rechtstreeks gevolg van de toename van CO2 en de daarmee samenhangende verzuring van het zeewater;
  • Opwarming van de Noordelijke IJszee waardoor er minder Krill hierin kan leven met als gevolg dat de populatie van Blauwe vinvis terugloopt. Het ijs op de noordpool zal verwijnen in de zomer, waarschijnlijk voor 2050, mogelijk al in 2013;[10][11]
  • Het terugtrekken van gletsjers en het verdwijnen van skigebieden;
  • Afname van de ozonlaag.

Er zijn ook mogelijke positieve effecten, zoals een verhoging van de productiviteit in de landbouw in bepaalde gebieden. Door terugtrekking van ijs komen natuurlijke grondstoffen bij de polen vrij voor ontginning. De Noordwestelijke Doorvaart in Canada komt in de toekomst vrij, waardoor schepen aan de noordkant om het Amerikaanse continent kunnen varen. De verwachte gemiddelde toename van neerslag kan zowel negatieve als positieve gevolgen voor de leefomgeving tot gevolg hebben.

Nederland en België

Hoewel ontwikkelingslanden het meest kwetsbaar zijn, zullen ook Nederland en België te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering. Het KNMI heeft in 2006 vier klimaatscenario's opgesteld. De G-scenario's (G van gematigd) gaan uit van 1°C toename van de gemiddelde temperatuur in 2050 ten opzichte van 1990, en de W-scenario's (W van warm) van 2°C. Klimaatmodellen zijn niet eenduidig over de windrichting in het toekomstig klimaat in noordwest Europa. Sommige voorzien een verandering van de overheersende windrichting. Daarmee is rekening gehouden in de G+ en W+ scenario's. In deze '+'-scenario's zijn de winters natter en de zomers droger.[12]

Een toename van neerslag zal ook gevolgen hebben voor de rivieren. De Rijn kan veranderen van een smeltwaterrivier in een regenrivier met hogere piekafvoeren. Deze rivier zal dan ’s winters meer en zomers juist minder water afvoeren. Om schade te voorkomen moet het ruimtegebruik daarop worden afgestemd. Verder heeft de stijging van de zeespiegel niet alleen gevolgen voor de kustbescherming, maar ook voor de landbouw (verzilting) en voor de Waddenzee.

Ecosystemen veranderen omdat door de veranderende externe omstandigheden bepaalde dier- en plantensoorten zich beter, of juist minder goed, kunnen handhaven. Een toename van uitheemse dier- en plantensoorten (exoten) valt te verwachten, voorbeelden hiervan zijn de eikenprocessierups en de wespspin.

De noordpool tussen 1990 en 1999

Het onderstaande filmpje (links) en de beide plaatjes laten de ontwikkeling van het ijs zien op de noordpool. Door seizoensinvloeden verandert het ijsoppervlak voortdurend: in de winter neemt het ijsoppervlak toe en in de zomer smelt een groot deel weer weg. De trend is dat het ijsoppervlak in de zomer steeds kleiner wordt. Het landijs op Groenland is slecht zichtbaar en wordt niet zichtbaar beïnvloed op het filmpje.



Opwarming van de Aarde


Maatregelen tegen de opwarming van de Aarde

Deelnemers (in groen) aan het Kyotoprotocol in 2005.

Deelnemers (in groen) aan het Kyotoprotocol in 2005.

Het meest recente rapport van de IPCC stelt, dat het wenselijk is, te zorgen dat de opwarming van de Aarde beperkt blijft tot zo'n 2°C. Hierboven kunnen ernstige problemen ontstaan, zoals het smelten van de ijskap op Groenland, tekorten aan water voor miljarden en een aantasting van de mondiale voedselproductie. Hiervoor zou de uitstoot van broeikasgassen in 2050 teruggebracht moeten worden tot 15% van de huidige uitstoot. Bij een evenwichtige verdeling over de wereldbevolking, aangenomen dat die niet zou stijgen, komt dit neer op 0,537 ton CO2 per persoon per jaar. Dit zou betekenen, dat Nederland zijn uitstoot met 96,8% moet terugbrengen. Het is duidelijk dat hier een behoorlijke omwenteling voor nodig is. In de politiek worden lagere doelen gesteld dan de vermindering die volgens het IPCC nodig is.

In 1992 werd in Rio de Janeiro het "Raamverdrag Klimaatverandering" van de Verenigde Naties gesloten, meestal genoemd het "Klimaatverdrag". De doelstelling hiervan is: "het stabiliseren van de concentratie broeikasgassen in de dampkring op een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen." Nederland is één van de 177 landen die in de eerste helft van de jaren negentig het Klimaatverdrag hebben goedgekeurd.

Het Kyotoprotocol werd in 1997 aangenomen als aanvulling op het Klimaatverdrag. Industrielanden hebben afgesproken om de uitstoot van broeikasgassen in de periode 2008 - 2012 gemiddeld met 5 procent te verminderen ten opzichte van het niveau in 1990. Per land gelden andere verminderingspercentages. De vermindering geldt voor de gassen kooldioxide (CO2), dat bij verbranding van fossiele brandstof als kolen, aardolie en aardgas en ook biobrandstof als hout, methanol en biodiesel vrijkomt, methaan (CH4) dat bij veeteelt vrijkomt, stikstofdioxide (NO2) dat bij verbranding op hoge temperatuur in auto's en in branders ontstaat en een aantal fluorverbindingen zoals (HFK's, PFK's en SF6) die gebruikt worden ik koelkasten, diepvriezers, airconditioning, spuitbussen en elektrische apparatuur.

Nederland heeft het Kyotoprotocol goedgekeurd in 2002[13]. Instemming van andere industrielanden buiten de Europese Unie was nodig om het Kyotoprotocol in werking te laten treden. Dit gebeurde 3 maanden nadat tenminste 55 landen het protocol hadden ondertekend die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor ten minste 55 procent van de totale CO2-uitstoot van de industrielanden in 1992. Op 16 februari 2005 om 05:00 GMT (90 dagen na de ondertekening door Rusland) is het Kyoto-protocol officieel in werking getreden. Dit betekent voor Nederland dat het nu verplicht is om, in de periode 2008 - 2012, 6 procent minder broeikasgassen uit te stoten ten opzichte van 1990. Deze verminderingsverplichting is vastgelegd in de Uitvoeringsnota klimaatbeleid (2000). De Nederlandse overheid heeft diverse stimuleringsregelingen geïntroduceerd om deze doelstelling te bereiken.

Voor België geldt een verminderingsverplichting van 7,5 procent.

Het Kyotoprotocol voorziet wel in een emissiehandel. Industriële landen als Nederland en België mogen in plaats van hun eigen uitstoot te verminderen ook geld geven aan andere landen die onder hun toegestane uitstoot blijven. Dit wordt omschreven als "schone lucht kopen".

Australië en de Verenigde Staten hebben het Kyoto-protocol wel ondertekend, maar niet geratificeerd, en zullen zich er dus niet aan houden. Landen als China en India doen wel mee, maar het protocol heeft voor hen geen sterke verplichting voor een vermindering. Inmiddels heeft ook Australië het Kyoto-protocol ondertekend.

De landen die zijn aangesloten bij het Kyoto-protocol weten dat deze vermindering pas een eerste begin is: de wereldwijde uitstoot zal uiteindelijk met zo'n 60% omlaag moeten. De Europese Unie heeft het voortouw genomen en in maart 2007 afgesproken de uitstoot met nog eens 20% te verminderen in 2020, en mogelijk met 30% als andere landen, zoals de VS, meedoen. Eind 2006 en begin 2007 hebben de Verenigde Staten uiteindelijk ook publiekelijk erkend te zullen moeten gaan werken aan het minder belasten van het milieu en het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen. Waarschijnlijk heeft de documentaire An Inconvenient Truth van Al Gore bijgedragen aan de toename van het klimaatbewustzijn van de samenleving.

In 2007 is onder leiding van de Verenigde Naties een conferentie gehouden over het klimaat in Bali, Indonesië. Doel hiervan was voor de wereld om een vervolg op het Kyoto-protocol uit te werken. Deze klimaatconferentie is niet geheel mislukt, maar was ook geen succes. Er is vastgesteld dat een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen noodzakelijk is. Er zijn echter geen concrete doelen of data afgesproken. De bedoeling is dat er wordt gewerkt naar een nieuw klimaatverdrag in 2009. Een conferentie in Honolulu, die buiten de VN om door de Verenigde Staten waren georganiseerd, leidde begin 2008 niet tot bindende afspraken.

Het effect van maatregelen wordt in ernstige mate verminderd door de economische groei in opkomende economieën, zoals China en India. Door de toegenomen vraag naar energie in deze landen neemt ook de uitstoot van broeikasgassen toe. Bovendien zijn de nieuwe energiecentrales hier in veel gevallen kolencentrales, die een hogere uitstoot hebben dan centrales die werken op bijvoorbeeld gas of kernenergie. Politiek gezien is de situatie ook zeer lastig doordat de uitstoot per hoofd van de bevolking in China nog altijd bijna 3 keer zo laag ligt als in Nederland.[14]

Zelfs als vergaande uitstootverminderingen plaatsvinden zal het klimaat toch veranderen. Naast uitstootverminderingsbeleid is er daarom ook adaptatiebeleid nodig.

Bron : http://nl.wikipedia.org/wiki/Opwarming_van_de_Aarde


maandag 29 oktober 2007

Ganzenbloem

De chrysant of ganzenbloem, van het plantengeslacht Chrysanthemum (v. Gr. chrusos = goud, anthemom = bloem) van de Composietenfamilie, met ca. 200 soorten, vnl. op het noordelijk halfrond. In Nederland en België komen enkele soorten in het wild voor, nl. de margriet(C. leucanthemum) en de gele ganzenbloem (C. segetum), die ook wel als sierplant worden geteeld. De soort C. cinerariaefolium, afkomstig uit Klein-Azië, wordt in sommige tropische landen (vooral Kenia) in de bergen gekweekt wegens de insectendodende eigenschappen van het poeder dat door vermaling van de gedroogde hoofdjes verkregen wordt (pyrethrum).

De als tuinplant geteelde heesterachtige chrysanten zijn producten van bastaardering tussen verschillende soorten; ze worden in een veelheid van vormen gekweekt. Vaak worden al deze hybriden samengevat als tuinchrysant of herfstchrysant (C. sinense). Voorts worden als sierplant geteeld: de bonte ganzenbloem (C. carinatum), afkomstig uit Noordwest-Afrika; de hoofdjes hebben een rode schijf en witte, aan de voet gele straalbloemen; het moederkruid (C. parthenium), ook in een aantal cultuurvariëteiten; deze plant ruikt naar kamille, is afkomstig uit Zuidoost-Europa en Klein-Azië en verwildert gemakkelijk; de hoofdjes zijn vrij klein en hebben oorspronkelijk witte straal- en gele buisbloemen; de reuzenmargriet (C. maximum), de gekroonde ganzenbloem (C. coronarium) en C. rubellum. De Pyrethrum-hybriden zijn ontstaan uit kruisingen met C. coccineum. Dit zijn als tuinplant gekweekte kruiden met gele schijfbloemen en rode, roze of witte straalbloemen, ook veel met gevulde hoofdjes. De struikmargriet (C. frutescens) is een heesterachtige soort die de gehele zomer bloeit met kleine, margrietachtige bloemen; de blaadjes zijn blauwachtig grijs en fijn verdeeld.