maandag 24 december 2007

Notre-Dame



De bouw van deze vroeg gotische kathedraal begint in 1163 met het koor. De opdracht kwam van bisschop Maurice de Sully. De vensters zijn eerder klein en de wand is in vier verdiepingen opgebouwd. In een aantal traveeën heeft Viollet-le-Duc de oorspronkelijke toestand hersteld. De bouw van het koor is af omstreeks 1172

Het westelijk gedeelte dateert uit de tijd van de overgang tussen vroege en rijpe gotiek (1200-1245). De voorgevel is een van de meest harmonieuze scheppingen van de gotiek: vier steunberen verdelen de gevel in drie opgaande stroken, maar het verticalisme wordt getemperd door twee horizontale galerijen, waardoor optisch drie verdiepingen ontstaan, die naar boven toe lager worden. Zo wekt de gevel een majestueuze indruk, terwijl hij in feite maar 69m hoog is. Door het weglaten van de torenspitsen staan de hoogte en breedte van de gevel optimaal met elkaar in verhouding.

Omstreeks 1250 bouwde Jean de Chelles de beide gevels van het transept in hooggotiek. De zuidelijke gevel, die naar de Seine gericht is , werd afgewerkt door Pierre de Montreuil. De wanden zijn transparanter geworden. De roos heeft een diameter van 13 m en overtreft met drie meter die van de westgevel.

De leiders van de bouwwerf waren metselaars en beeldhouwer. Voor hun diensten werden ze vorstelijk betaald. De arbeiders waren geschoolde ambachtslieden. Af en toe leverden vrijwilligers ongeschoolde arbeid.

De bouw werd voor een aanzienlijk deel gefinancierd door de Franse koningen. Deze gebruikten de gotiek als een politiek propagandamiddel. De rest van het geld kwam voor het grootste deel van de verkoop van aflaten en giften.

De afmetingen: lengte 130m; breedte 48m; gewelf 35m hoog en de torens zijn 59m hoog. Door het gebrek aan onderhoud was de Notre-Dame reeds sterk vervallen in de 18° eeuw, en ze werd verder beschadigd tijdens de revolutie en onder Napoleon. In het kader van de belangstelling voor het verleden tijdens de Romantiek wordt de Notre Dame door Viollet-le-Duc grondig gerestaureerd tussen 1841 en 1864. Er komen nieuwe beelden en glasramen, de classicistische bepleistering wordt verwijderd; het dakgebinte, de portalen en het koor hersteld. Ook wordt de vieringstoren herbouwd.


Het grondplan is een Latijns kruis.

  • het schip heeft een hoofdbeuk en dubbele zijbeuken
  • het transept steekt hierdoor nauwelijks uit, waardoor de lengterichting van de kerk geaccentueerd wordt.
  • het koor met de dubbele kooromgang en straalkapellen bereikt bijna de lengte van het schip voor de kruising.
  • tussen de zijbeuken werden ook zijkapellen aangebracht.

Het Intérieur

  • van de Romaanse zwaarte en massiviteit is niets meer te bekennen. Steilheid van ruimte en luchtigheid van de wanden zijn reeds zuiver gotisch. Het levendig ritme van de naar boven lopende lijnen, de ogenschijnlijke lichtheid van de constructie, het uit de hoge al dan niet gebrandschilderde glasramen neerstromende licht, alles verleent aan de gotische kerkruimte een indruk van onstoffelijkheid, een boven de aarde uitstijgende sfeer.
  • de dubbele knik in de as van de kerk is gemakkelijk terug te vinden.
  • het gewelf van 35 m hoog bestaat uit zesdelige kruisribgewelven die vierkante traveeën overspannen. Het zijn echter geen regelmatige vierkanten.
  • de niet dragende koor- en middenschipwand wordt op uniforme wijze geleed door de dragende zuilen, van waarop de diensten vertrekken die als ribben doorlopen in het gewelf. De wand bestaat uit drie delen:
    • de eerste bogenrij die naar de zijbeuken loopt; de kapitelen van de zuilen zijn met bladwerk versierd
    • de tweede bogenrij naar de tribunes; de Notre-Dame is de laatste kerk die boven de eerste zijbeuk een dergelijke ruimte bezat. Ze bood plaats aan 1500 personen. Let op de mooi gebeeldhouwde kapiteeltjes van de fijnbelegde zuiltjes waarop de bogen rusten.
    • de lichtbeuk met de hoge in stenen maaswerk gevatte glasramen.
  • De glasramen
    • Het roosvenster van de westelijke voorgevel met een diameter van 10m. In het centrum hebben we de verheerlijking van Maria, met er om heen de tekens van de dierenriem en de overeenkomstige maandelijkse landbouwactiviteiten; verder nog de deugden en ondeugden.
    • het roosvenster van het noordelijk transept met een diameter van 13m. Het zijn figuren uit het oude testament die Maria en het kind omringen
    • het roosvenster uit het zuidelijk transept heeft ook een diameter van 13m en toont de zegenende Christus temidden van engelen, apostelen, heiligen, wijze en dwaze maagden.
  • Bij de ingang van het koor vinden we het fel vereerde 14° eeuws maniëristische beeld van Maria met kind. Het is niet meer de statige hemelkoningin van het noordertransept, minder geïdealiseerd, bevallige gratievolle houding, S-vorm met heupbeweging, de stereotype glimlach verhoogt het zoeterige karakter.
  • In de kooromgang, op de afsluitwand van het koor, vinden we beschilderde hoogreliëfbeelden uit de eerste helft van de 14° eeuw. Aan de noordkant zijn het scènes uit het leven van Christus; aan de zuidkant: Christus verschijningen na de Verrijzenis. Het zijn levendige gehelen waarbij de figuren evenwichtig geschikt zijn.
  • Het koorgestoelte dateert uit de 17° eeuw (LodewijkXIII). Op het hoofdaltaar hebben we de piëta van N. Coustou geflankeerd door Lodewijk XIII en Lodewijk

Het Exterieur

  • De Voorgevel

Typerende Fransgotische westpartij met drie portalen, roosvenster en 2 hoektorens. Verticaal in drie vakken verdeeld door de stevige, terugspringende steunberen en horizontaal door 2 galerijen, vertoont het geheel een rustig evenwicht, een heldere ordening, een sierlijkheid en zuiverheid van lijn, die het tot één van de volmaakste voorgevels van de Franse gotiek maken. Er is geen volledige symmetrie: de noordertoren is breder.

Boven de 3 portalen hebben we de galerij van de koningen. Het zijn kopieën van de oorspronkelijke 28 beschilderde beelden, die tijdens de revolutie neergehaald zijn. Het roosvenster van 10 m diameter, was het grootste van zijn tijd (1200) en vormt de opening naar de gewelfzone van het middenschip. De beelden van Maria, geflankeerd door 2 engelen, door Adam (links) en Eva (rechts) werden er geplaatst door Violet-le-Duc. Het roosvenster vormt een kronende aureool boven het hoofd van Maria. Een grote galerij van spitsbogen op slanke zuilen verbindt de 2 torens; erboven hebben we een loopgang met balustrade. De spuwers zijn monsters en demonen en eveneens van Violet-le-Duc. De torens met zeer hoge, smalle, spitsvormige galmgaten zijn 69m hoog.

  • De gebeeldhouwde portalen van de voorgevel

    • Het rechterportaal is het St-Anna portaal en dateert van de 12° - begin 13° eeuw. De twee bovenste registers van het boogveld zijn nog Romaans. De bedoeling van de beelden is veel meer een religieuze boodschap te brengen dan een natuurgetrouwe weergave en vormschoonheid. Bovenaan hebben we de Sedes Sapientiae, Maria en Jezus in verheven waardigheid, streng, frontaal en niets individualiserend, geflankeerd door 2 engelen, door de bisschop van Parijs en koning Lodewijk VII, die de kathedraal aan Maria toewijden. In het midden hebben we scènes uit het leven van Maria. Het onderste register van het boogveld is reeds vroeg gotisch en toont de ouders van Maria: de H. Anna en de H. Joachim.
    • Het linkerportaal is het Mariaportaal (1210-1220) en één van de mooiste vroeg gotische portalen ter wereld. In het boogveld bovenaan zien we de kroning van Maria. Midden de dood en verrijzenis van Maria en onderaan de ark van het verbond omgeven door 3 profeten die Maria's zending voorspelden en drie koningen van Juda, haar voorgeslacht. Het geheel vormt en zeer evenwichtige compositie. Christus is van een verheven majesteit en Maria buigt in devotie over naar haar zoon; De gotische figuren zijn natuurlijker, levendiger, meer volplastisch dan de Romaanse. Nog altijd overheerst de religieuze boodschap op de vormschoonheid. In de deurposten vinden we de tekens van de dierenriem en landbouwactiviteiten van de overeenstemmende maand. In de portaalbogen vinden we het hemelrijk terug samen met bloemdecoratie.
    • Het middenportaal stelt het laatste oordeel voor (1230-1250). Het is vroeg gotisch, maar bijna alles is vernieuwd. Het bovenste register van het boogveld is nog origineel: we zien de grootse gestalte van Christus tussen Maria, Johannes en 2 engelen. De rest van het boogveld is een kopie en stelt het wegen der zielen voor. Onderaan hebben we opstanding van de doden. Op de portaalbogen wordt de voorstelling van het laatste oordeel met de hemelbewoners voortgezet .
    • Op de steunberen vinden we beelden van de H. Stephanus; de Kerk; de Synagoge en St. Denis.

  • De gevels van de dwarsbeuk.

Beide gevels zijn hooggotisch,ca 1260, en contrasteren fel met de westelijke façade door hun geraffineerde sierlijkheid. Twee steunberen, bekroond met pinakels schragen het geheel, waardoor de afsluitwand bijna geheel opengewerkt kon worden: een prachtig roosvenster van 13m diameter, dus groter dan dat van de voorgevel, en een venstergalerij van 5m hoog getuigen van een stoutmoedigheid zonder voorgaande. Daarboven loopt de gevel uit op een punt, en wordt nogmaals doorboord door een kleinere roos. Het portaal wordt bekroond met een buiten het gevelvlak springende wimberg, geflankeerd door twee kleinere wimbergen tussen pinakels.

  • de gebeeldhouwde portalen van de dwarsgevels:

Het kloosterportaal van het noordentransept van ca 1250 is het interessantst. Het boogveld stelt de legende van de H. Theophilus voor, die zijn ziel verkocht aan de duivel, maar door tussenkomst van Maria gered werd. De middenpijler bevat één van de mooiste beelden van de 13° eeuwse gotische beeldhouwkunst. Maria met Jesus op de arm: een waardige koninklijke gestalte. Door de heupstand ontstaan op natuurlijke wijze de fraaie, lange, diagonale vouwen die de figuur een ongemene gratie en rijzigheid verlenen; het gelaat met de fijne glimlach doet bijna klassiek aan. Deze Maria is veel levendiger dan de Romaanse Maria van het Annaportaal, meer geïdealiseerd, edeler dan de Maria binnen de kerk.

Het boogveld van het zuidentransept vertelt de geschiedenis van de H. Stephanus. Het getuigt van een nieuwe geest: levendigheid, afwisseling en soepelheid in de houdingen en bewegingen, de dramatische kracht van de steniging.

De dubbele koorgang wordt door de wijds 15m overspannende luchtbogen overbrugd. Ze brengen de druk van het interne gewelf over naar de tussen de straalkapellen gebouwde steunberen. Op de viering herbouwde Violet-le-Duc de spits. Aan de buitenzijde van de koorkapellen treffen we zeven reliëfs die het leven van Maria en de H. Theophilus uitbeelden. Ze zijn meer dan voorheen losgemaakt van de reliëfgrond woordoor sterke tegenstellingen tussen licht en schaduw ontstaan.



  • De Place du Parvis de Notre-Dame

De naam Parvis is afgeleid van Paradis. In de Middeleeuwen fungeerden de portalen van de kathedraal als decor van de mysteriespelen en stelden het hemels paradijs voor. In de 19° eeuw werd het plein door Hausmann aanzienlijk vergroot. Hierdoor heeft men een beter zicht op de majestueuze voorgevel. Anderzijds verdwijnt het middeleeuws effect van een kathedraal omringd door kleine straatjes en huizen, waardoor men plots op de voorgevel botste die zich pal in de hoogte verhief. Links van het plein hebben we het ziekenhuis: Hôtel-Dieu.


Bron: http://users.telenet.be/robertdelva/notre%20dame.htm