vrijdag 23 november 2007

De ontdekkers ...


"In medieval times there was a return to the concept of a flat Earth and a dogmatism about the crystalline celestial spheres, here epitomized in a woodcut showing the machinery responsible for their motion discovered by an inquirer who has broken through the outer sphere of fixed stars. Sixteenth century." J.D. Bernal, Science in History, vol. 1 of The Emergence of Science (4 vols)

De ontdekkers - Daniel Boorstin

Bron : http://images.google.be/

Les très riches heures de duc de berry

























Bron: http://users.telenet.be/joosdr/berryfeb.jpg

's Levens felheid



Hoofdstuk I, 'S LEVENS FELHEID

Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, dien de vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken, vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven, stonden door het sacrament in den glans van het mysterie. Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.

Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad. Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden nog dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar aan zijn kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg het teeken van zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap, de partij de kleuren en blazoenen van hun heer.

Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld, stekelig van tallooze torens. Zoo hoog en zwaar de steenen huizen van edelen of koopheeren mochten zijn, de kerken bleven met hun hoogte en ruimte den aanblik der stad beheerschen.

Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons leven, zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch. De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere stilte, het effekt van een enkel lichtje of een enkelen verren roep.

Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling, een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering, waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt.

Er was één geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke Jacqueline, klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den klank. Gedurende het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes, dat in 1455 de stad en het geheele Bourgondische hof in buitengewone spanning heeft gehouden, luidde de groote klok, zoolang de strijd duurde, "laquelle fait hideux à oyr", zegt Chastellain1. "Sonner l'effroy", "faire l'effroy" heet het luiden der alarmklok2. Welk een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot den avond, en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die een einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen Bourguignon en Armagnac3.

Huizinga - Herfsttij der Middeleeuwen

Bron: http://www.dbnl.org/tekst/huiz003herf01_01/huiz003herf01_01_0002.htm

Donkere middeleeuwen

De naam "Donkere Middeleeuwen" heeft al vele evoluties doorgemaakt; de definitie is afhankelijk van wie deze definiëert. Moderne geschiedkundigen gebruiken de term niet meer omdat deze zo'n negatieve ondertoon heeft. In het algemeen refereren de Donkere Middeleeuwen aan de periode die volgde op de val van het West-Romeinse Rijk. Dit gebeurde toen de laatste keizer van het Westelijke Rijk, Romulus Augustulus, in 476 na Christus door Odoaker, een barbaar, werd afgezet.

Dit tijdperk werd pas later door mensen als 'donker' of 'duister' bestempeld; de oorzaak hiervan was dat deze periode werd gekenmerkt door gebruiken en praktijken die een stap achteruit leken te zijn. Latere historici gebruikten de term 'donker' gewoonweg om aan te geven dat er weinig over deze periode bekend was; de geschreven geschiedenis over deze periode was bijzonder onvolledig. Recente ontdekkingen, die vele nieuwe feiten over deze tijd naar boven hebben gebracht, hebben dit idee blijkbaar bijgesteld.

De Italiaanse geleerde Francesco Petrarca was de eerste die de term 'Donkere Middeleeuwen' hanteerde. Hij gebruikte deze om zo de Latijnse literatuur uit die tijd aan de tand te voelen; anderen gebruikten zijn idee juist om frustraties over het gebrek aan Latijnse literatuur of andere culturele mijlpalen in deze periode uit te drukken. De naam "Donkere Middeleeuwen" wordt in het algemeen niet meer gebruikt. Meestal wordt deze periode nu aangeduid met de naam "Vroege Middeleeuwen" -- de periode die volgde op het verval van het Romeinse Rijk in de Westerse wereld. De Middeleeuwen als geheel beslaan de periode van ongeveer 400 tot 1000 na Christus.

Bron : http://www.allabouthistory.org/dutch/de-donkere-middeleeuwen.htm