donderdag 21 februari 2008

De ark

1 Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.

2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.

3 Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganse aarde.

4 Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.

5 En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.

6 Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.

schilderij van Jan Brueghel de Oudere: De dieren gaan aan boord van de Ark van Noach

7 Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.

8 Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt,

9 Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had.

10 En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.

11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.

12 En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.

13 Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;

14 Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.

15 En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.

16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.


17 En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.

18 En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.

19 En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den gansen hemel zijn, bedekt werden.

20 Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.

21 En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.

22 Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.

23 Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.

24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.



Bron : http://www.statenvertaling.net/bijbel/gene/7.html

woensdag 20 februari 2008

A brief history of time


This book was the first of Hawking's that I read, and still my favourite. If you haven't read it yet, I heartily recommend it. Below is the flap cover text from the hardback:Stephen W. Hawking has achieved international prominence as one of the great minds of the twentieth century. Now, for the first time, he has written a popul ar work exploring the outer limits of our knowledge of astrophysics and the nature of time and the universe.


The result is a truly enlightening book: a classic introduction to today's most important scientific ideas about the cosmos, and a unique opportunity to experience the intellect of one of the most imaginative, influential thinkers of our age.

From the vantage point of the wheelchair where he has spent the last twenty years trapped by Lou Gehrig's disease, Professor Hawking himself has transformed our view of the universe. His groundbreaking research into black holes offers clues to that elusive moment when the universe was born. Now, in the incisive style which is his trademark, Professor Hawking shows us how mankind's "world picture" has evolved from the time of Aristotle through the 1915 breakthrough of Albert Einstein, to the exciting ideas of today's prominent young physicists.

Was there a beginning of time? Will there be an end? Is the universe infinite? or does it have boundaries? With these fundamental questions in mind, Hawking reviews the great theories of the cosmos -- and all the puzzles, paradoxes and contradictions still unresolved. With great care he explains Galileo's and Newton's discoveries. Next he takes us step-by-step throught Einstein's general theory of relativity (which concerns the extraordinarily vast) and then moves on to the other great theory of our century, quantum mechanics (which concerns the extraordinarily tiny). And last, he expores the worldwide effort to combin the two into a single quantum theory of gravity, the unified theory, which should resolve all the mysteries left unsolved -- and he tells why he believes that momentous discovery is not far off.

Professor Hawking also travels into the exotic realms of deep space, distant galaxies, black holes, quarks, GUTs, particles with "flavors" and "spin, " antimatter, the "arrows of time" -- and intrigues us with their unexpected implications. He reveals the unsettling possibilities of time running backward when an expanding universe collapses, a universe with as many as eleven dimensions, a theory of a "no boundary" universe that may replace the big bang theory and a God who may be increasingly fenced in by the new discoveries -- who may be the prime mover in the creation of it all.

A BRIEF HISTORY OF TIME is a landmark book written for those of us who prefer words to equations. Told by an extraordinary contributor to the ideas of humankind, this is the story of the ultimate quest for knowledge, the ongoing search for the secrets at the heart of time and space.

Includes a great introduction by Carl Sagan.




Bron : http://www.psyclops.com/hawking/


dinsdag 19 februari 2008

Stephen Hawking

Stephen Hawking is een Brits wis- en natuurkundige. Ondanks het feit dat hij verlamd is en communiceert via een spraakcomputer, wordt hij beschouwd als een van de grootste wetenschappers van de twintigste eeuw. Zo is Hawking de ontdekker van de hawkingstraling die ervoor zorgt dat zwarte gaten uiteindelijk verdampen. Bij het grote publiek is hij echter bekend als de schrijver van 'A brief history of Time', zijn bestseller. Dit populair weteschappelijk boek werd in tientallen talen vertaald en werd miljoenen keren verkocht.

Hawking

Hawkings leven

Stephen Hawking werd geboren op 8 januari 1942, precies 300 jaar na de sterfdag van de bekende natuurkundige Galileo Galilei. Zijn ouders, Frank Hawking en Isobel, woonden oorspronkelijk in het Noorden van Londen maar door de bombardementen tijdens de twee wereldoorlog moesten ze verhuizen naar Oxford. Dit komt omdat de Engelsen een akkoord hadden gesloten met de Duitsers om Oxford (en enkele andere steden) niet te bombarderen als de Engelsen op hun beurt ook enkele Duitse steden spaarden. Stephens moeder keerde terug naar Londen toen hij slechts twee weken oud was. In 1950 vond Hawkings vader een nieuwe job aan het Instituut voor Medisch Onderzoek in Mill Hill. Hierdoor verhuisde het hele gezien naar Saint Albans.

Oorspronkelijk ging Stephen Hawking naar een meisjesschool, waar ook jongens geaccepteerd werd. Enkele jaren later veranderde hij van school, deze keer ging hij naar een jongensschool. Zijn vader wou persee dat de jonge Stephen ging studeren aan het Westminster Publicer School, aangezien dat een school met een hoog aanzien was. Dit kon echter niet doorgaan omdat Stephen ziek werd tijdens de examens. Daarom moest hij verder studeren in de school, waar hij trouwens niet echt populair was. Deze meeste vonden die magere jongen maar een vreemde kerel. Hij luisterde naar klassieke muziek en niet naar pop, hij bedacht zeer complexe bordspellen, hij was geïnteresseerd in de wis- en natuurkunde. Hierdoor had Stephen Hawking maar een paar vrienden gedurende zijn jeugd.

Na zijn middelbare studies ging Stephen Hawking studeren in Oxford. Oorspronkelijk wilde Frank Hawking dat hij geneeskunde ging studeren, net als zijn vader. Stephen zag dit helemaal niet zitten dus zochten ze voor een compromis. Uiteindelijk werd dit chemie, gecombineerd met wis- en natuurkunde. Hij deed als 17-jarige student het ingangsexamen aan de universiteit waar hij makkelijk in slaagde. In die tijd stelde de natuurkundecursus in Oxford niet veel voor (zo zegt hij zelf), dus moestten Stephen en zijn medestudenten niet hard werken voor hoge punten. Na zijn studies in Oxford ging Stephen Hawking werken in Cambridge, bij het departement toegepaste wiskunde. Hij kwam daar onder de hoede van Dennis Sciama, hoewel dit niet Hawkings eerste keuze was. Oorspronkelijk had hij liever Fred Hoyle gehad, vader van de Steady State-theorie (de tegenhanger van de oerknaltheorie). Uiteindelijk bleek Sciama geen slechte keuze te zijn, aangezien Hoyle bijna constant in het buitenland verbleef en zo dus weinig aandacht kon besteden aan zijn studenten.

Stephen Hawking trouwde in het jaar 1963 met Jane Wilde. In 1967 werd hun eerste zoon geboren Robert, en in 1970 kwam er nog een dochtertje bij, Lucy. Hun tweede zoon, Timothy, werd geboren in het jaar 1979. Nadat Hawking zijn doctoraat behaalde werd hem een beurs aangeboden om te gaan werken als onderzoeker in Caius, Cambridge. In 1977 werd hij professor 'Gravitationele natuurkunde' en later ook Lucasian professor in de Wiskunde. Deze laatste titel had ook Isaac Newton, de ontdekker van onder andere de zwaartekrachtstheorie.

Ziekte

Tijdens Stephen Hawkings laatste dagen in Oxford merkte hij dat hij steeds onhandiger begon te worden. Op een bepaald moment viel hij zelfs gewoon van de trap. Hierna ging hij naar een huisdokter, maar deze vond niets abnormaal. De dokter zond hem door naar een ziekenhuis waar hij twee weken lang grondig werd onderzocht. Uiteindelijk -vonden de dokters het probleem, Stephen leed aan Amytrofe Laterale Sclerose (ALS), ook wel bekend onder de naam Lou Gehrich-syndroom. Dit is een ongeneeslijke ziekte die zenuwcellen aantast zodat heel het lichaam verlamd geraakt. Gelukkig is er één ding dat niet wordt aangetast, namelijk de hersenen.

Tegen het einde van zijn studies in Oxford liep Stephen reeds rond met een wandelstok. Iets later belandde hij ook in een rolstoel. Daardoor moestten hij en zijn vrouw Jane verhuizen naar een flat zonder trappen, aangezien Stephen deze niet meer kon gebruiken. Tot 1979 slaagde Jane Hawking er in om Stephen te verzorgen, maar daarna moest er een verpleegster worden ingehuurd.
Tijdens een natuurkundige congres in Genève, in 1985, liep Stephen een longonsteking op. Hierdoor moest er een snede worden gemaakt in zijn luchtpijp. na deze ingreep moest hij met machines in leven worden gehouden èn was hij zijn stem kwijt. De verantwoordelijke artsen raadden Jane aan om Stephen te laten sterven, maar dit weigerede ze. Uiteindelijk kwamen ze door deze lange, moeizame periode maar hij kon op geen enkele vlotte manier communiceren. De engiste manier was door zijn wenkbrouwen te bewegen wanneer Jane (of iemand anders) de juiste letter aanwees op een bord.

Toen een zekere Walt Woltosz hoorde van Stephens problemen stuurde hij hem een computerprogramma op waarmee hij kon schrijven door zijn ogen te bewegen. Deze woorden kon hij laten uitspreken door een spraakcomputer, met een licht Amerikaans accent. 'A brief history of Time' is onder andere met deze computer geschreven. In 1990 schiedden Stephen Hawking en Jane, omdat ze de druk van het verzorgen niet meer aan kon. Vijf jaar later, in 1995, hertrouwde Stephen met Elaine Mason. Momenteel heeft Stephen 24 uur per dag verzorging nodig, maar ondanks dit alles wordt hij nog steeds beschouwd als een van de grootste natuurkundigen aller tijden.

Wetenschappelijk werk

Stephen Hawking, gespecialiseerd in gravitationele natuurkunde, is een export op het gebied van zwarte gaten, ook wel singulariteiten genoemd. Het fenomeen singulariteit volgde al snel uit de algemene relativiteitstheorie, maar velen beschouwden het als een onrealistisch neveneffect. Het was Hawking, samen met de wiskundige Roger Penrose, die de wetenschappelijke wereld van het bestaan van singulariteiten kon overtuigen. Zo ontdekten Hawking en Penrose samen dat de oerknal, onvermijdelijk, gepaard ging met een singulariteit. Een andere belangrijke ontdekking was de zogenaamde hawkingstraling, veroorzaakt door virtuele deeltjes. Deze zorgen ervoor dat zwarte gaten langzaam massa verliezen of 'verdampen'.

Bij 'het gewone volk' is Stephen Hawking bekend als auteur van de bestseller 'a brief history of time' waarin hij de toenmalige stand van zaken in de natuurkunde beschreef. Dit boek werd in tientallen talen vertaald en werd miljoenen keren verkocht. Enkele jaren geleden schreef Hawking een vervolg, 'The universe in a nutshell', waarin hij de moelijkere aspecten van a brief history of time verduidelijkt (waaronder de relativiteitstheorieën).


Bron http://www.spacepage.be/content/view/2089/186/

maandag 18 februari 2008

Grootste Belg

Mercator tekende kaarten. Brel bezeilde de wereldzeeën. Pater Damiaan verzorgde de melaatsen. Brel bezong les amputés du coeur. Paul Jansen vond medicijnen uit. Brel vloog de zieken naar het ziekenhuis. Conscience schreef De leeuw van Vlaanderen. Brel schreef Le plat pays. Daens vocht voor algemeen meervoudig stemrecht. Brel ging windmolens te lijf. Vesalius ontleedde het lichaam. Brel tekende de ziel. Ambiorix verdedigde Vlaanderen tegen de Romeinen. Brel veroverde Parijs op de Fransen. Merckx won de Tour. Brel gaf 300 concerten op een jaar op 4 pakjes per dag. Rubens schilderde vrouwen. Brel baisait.

Jacques BrelEr kan er maar een de grootste zijn. Ik zou dan kunnen zeggen: laat het díe Belg zijn die zijn meesterwerk op één long heeft volgezongen omdat hij de andere in rook had laten opgaan. Of: laat het die Belg zijn die het Franse chanson vernieuwd heeft. Laat díe Belg winnen die ambras kreeg met de Flaminganten. Die de Brusselse Bourgeoisie en daarmee zichzelf uitlachte. Laat 't de Belg zijn die zich naast Gauguin liet begraven. Laat het de man zijn wier laatste minnares en eerste vrouw mekaar snikkend in de armen vielen bij zijn dood. Laat het de performer zijn die voor elk optreden overgaf van de zenuwen, maar dan wel de Olympia op de knieën kreeg.

Zo kan ik u nog wel meer vertellen over Brel.

Ik zou dan bijvoorbeeld ook zeggen: laat het de sukkel zijn van Les Bonbons. De romanticus van Ne me quitte pas. De krachtpatser van Le port d'Amsterdam. De vriend van Jef. De dromer van L'homme de la Mancha. Het jongetje van Mon père disait.
“En zo heeft hij er nog een paar honderd geschreven,” zou ik daar dan nonchalant aan kunnen toevoegen — en ik zou niet eens liegen.

Laat mij eenvoudig volstaan met te zeggen dat Brel de schrijver is van Orly. En dat hij de enige was die het nog kon zingen ook.

Orly

Jacques Brel

Ils sont plus de deux mille
Et je ne vois qu`eux deux
La pluie les a soudés
Semble-t-il l`un à l`autre
Ils sont plus de deux mille
Et je ne vois qu`eux deux
Et je les sais qui parlent
Il doit lui dire: je t`aime
Elle doit lui dire: je t`aime
Je crois qu`ils sont en train
De ne rien se promettre
C`est deux-là sont trop maigres
Pour être malhonnêtes

Ils sont plus de deux mille
Et je ne vois qu`eux deux
Et brusquement ils pleurent
Ils pleurent à gros bouillons
Tout entourésqu`ils sont
D`adipeux en sueur
Et de bouffeurs d`espoir
Qui les montrent du nez
Mais ces deux déchirés
Superbes de chagrin
Abandonnent aux chiens
L`exploir de les juger

Mais la vie ne fait pas de cadeau!
Et nom de dieu!
C`est triste Orly le dimanche
Avec ou sans Bécaud

Et maintenant ils pleurent
Je veux dire tous les deux
Tout à l`heure c`était lui
Lorsque je disais il
Tout encastrés qu`ils sont
Ils n`entendent plus rien
Que les sanglots de l`autre
Et puis infiniment
Comme deux corps qui prient
Infiniment lentement ces deux corps
Se séparent et en se séparant
Ces deux corps se déchirent
Et je vous jure qu`ils crient
Et puis ils se reprennent
Redeviennent un seul
Redeviennent le feu
Et puis se redéchirent
Se tiennent par les yeux
Et puis en reculant
Comme la mer se retire
Ils consomment l`adieu
Ils bavent quelques mots
Agitent une vague main
Et brusquement ils fuient
Fuient sans se retourner
Et puis il disparaît
Bouffé par l`escalier

La vie ne fait pas de cadeau!
Et nom de dieu!
C`est triste Orly le dimanche
Avec ou sans Bécaud

Et puis il disparaît
Bouffé par l`escalier
Et elle elle reste là
Coeur en croix bouche ouverte
Sans un cri sans un mot
Elle connaît sa mort
Elle vient de la croiser
Voilà qu`elle se retourne
Et se retourne encore
Ses bras vont jusqu`a terre
Ça y est elle a mille ans
La porte est refermée
La voilà sans lumière
Elle tourne sur elle-même
Et déjà elle sait
Qu`elle tournera toujours
Elle a perdu des hommes
Mais là elle perd l`amour
L`amour le lui a dit
Revoilà l`inutile
Elle vivra ses projets
Qui ne feront qu`attendre
La revoilà fragile
Avant que d`être à vendre
Je suis là je le suis
Je n`ose rien pour elle
Que la foule grignote
Comme un quelconque fruit

Omdat de meester het zelf toch zoveel beter zegt.


Bron :http://druppels.be/oudedruppels/2005/11/jacques_brel_de_grootste_belg.shtml


zondag 17 februari 2008

Le plat pays












Jacques Brel
LE PLAT PAYS
1962



Avec la mer du Nord pour dernier terrain vague
Et des vagues de dunes pour arrêter les vagues
Et de vagues rochers que les marées dépassent
Et qui ont à jamais le coeur à marée basse
Avec infiniment de brumes à venir
Avec le vent de l'est écoutez-le tenir
Le plat pays qui est le mien

Avec des cathédrales pour uniques montagnes
Et de noirs clochers comme mâts de cocagne
Où des diables en pierre décrochent les nuages
Avec le fil des jours pour unique voyage
Et des chemins de pluies pour unique bonsoir
Avec le vent d'ouest écoutez-le vouloir
Le plat pays qui est le mien

Avec un ciel si bas qu'un canal s'est perdu
Avec un ciel si bas qu'il fait l'humilité
Avec un ciel si gris qu'un canal s'est pendu
Avec un ciel si gris qu'il faut lui pardonner
Avec le vent du nord qui vient s'écarteler
Avec le vent du nord écoutez-le craquer
Le plat pays qui est le mien

Avec de l'Italie qui descendrait l'Escaut
Avec Frida la blonde quand elle devient Margot
Quand les fils de novembre nous reviennent en mai
Quand la plaine est fumante et tremble sous juillet
Quand le vent est au rire quand le vent est au blé
Quand le vent est au sud écoutez-le chanter
Le plat pays qui est le mien.

Herfsttij der middeleeuwen - Huizinga

.


Hoofdstuk II, DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN

Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten. In het laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van bittere zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is die samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou het soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd: de geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige tractaten, en evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken dan de herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht, woestheid en ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere vreugden gekend dan die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar nergens zachte blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd laat in de overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk. Het zijn de rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging zegt ons, dat de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete rust, welke den menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet veel kan verschillen van het andere. En de glans van het laat-middeleeuwsche geluk is ook niet geheel vergaan: het herleeft nog in het volkslied, in de muziek, in de stille verschieten van het landschap en de ernstige aangezichten van het portret.

Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance de geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en de wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de uiting van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten uitroep: O saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels van Poliziano, waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en heidensch geluk in één jubeltoon samensmelten:

"Vergine rilucente
Per te sola si sente
Quanto bene è nel mondo"64.

Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de wereld hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der hoven, die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en vertwijfelen aan vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de klacht herhaald, dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als Eustache Deschamps.

"Temps de doleur et de temptacion,
Aages de plour, d'envie et de tourment,
Temps de langour et de dampnacion,
Aages meneur près du definement,

Temps plains d'orreur qui tout fait faussement,
Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie,
Temps sanz honeur et sanz vray jugement,
Aage en tristour qui abrege la vie"65.

In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige, matte variaties op één dof thema. Er moet toch wel een sterke zwaarmoedigheid onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel zijn brooddichter dat geluid zoo dikwijls deed herhalen.

"Toute léesse deffaut,
Tous cueurs ont prins par assaut
Tristesse et merencolie"66.

Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in volkomen denzelfden toon.

"O miserable et très dolente vie!...
La guerre avons, mortalité, famine;
Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine;
Puces, cirons et tant d'autre vermine
Nous guerroyent. Bref, miserere domine
Noz meschans corps, dont le vivre est très court."

Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles slecht gaat in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de kleinen, en de kleinen elkander. Zijn hypochondrie brengt hem zelfs, naar zijn zeggen, tot den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich zelf:

"Et je, le pouvre escrivain,
Au cueur triste, faible et vain,
Voyant de chascun le dueil,
Soucy me tient en sa main;
Toujours les larmes à l'oeil,
Rien fors mourir je ne vueil"67.

Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te wachten staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen teruggaan. "Moi douloreux homme, né en eclipse de ténèbres es espesses bruynes de lamentation", aldus dient Chastellain zich aan68. "Tant a souffert La Marche" heeft de hofpoëet en kroniekschrijver van Karel den Stoute zich tot devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't leven, en zijn portret vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel beeltenissen van dien tijd onzen blik boeien69.

Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede? Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: "had het God behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig achten"70.

Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde, die nadenkt over een pas ontvangen tijding: "quant il eut merancoliet une espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de France" enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding te boven gaat: geen schilder is zoo "merencolieux", dat hij het zou kunnen schilderen71.

In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid speelt zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die door de bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met versche dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was gestort. De duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende waren wel geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste jaren der veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest, dat sedert het groote schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen72. De afkeer van den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om de wereld vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals bijna al die vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van godsdienstig gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige voorstellingen wat kleur afgegeven op een vlak van eenvoudige levensmoeheid. Het is de zucht, om het leven en de wereld te smaden, die van wezenlijk godsdienstig besef ver afstaat. De wereld, zegt Deschamps, is als een kindsche grijsaard; eerst was hij onschuldig, toen wijs langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper:

"Or est laches, chetis et molz,
Vieulx, convoiteus et mal parlant:
Je ne voy que foles et folz ...
La fin s'approche, en verité ...
Tout va mal" ...73

Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis der levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom. Deze levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven geschuwd hadden.


...


Bron: http://nl.wikisource.org/wiki/Herfsttij_der_Middeleeuwen/Hoofdstuk_I


zaterdag 16 februari 2008

Laat mij ...


Laat mij verworden tot een kind

met sikkelmaan en sterren

gespijkerd op het firmament

en schaatsen mijn kille dromen

Kom mee

- de echo van een sprookjesprins -

en kijk niet om:

Sodom en Gomorra

der volwassenheid die lonkt elk kind



vrijdag 15 februari 2008

Blade Runner


Regie: Ridley Scott
Scenario: Hampton Fancher, David Peoples
Met: Harrison Ford, Rutger Hauer, Sean Young, Edward James Olmos, Daryl Hannah, M. Emmet Walsh, Joe Turkel e.a.

112 min. / USA / 1982

In een recent onderzoek uitgevoerd bij wetenschappers, werd Ridley Scotts ‘Blade Runner’ uitgeroepen tot de beste SF-film ooit gemaakt, met Kubricks ‘2001: A Space Odyssey’ als nipte tweede. ‘Blade Runner’ is tijdens de voorbije twintig jaar inderdaad gecanoniseerd als één van de grote prestaties in het genre – mensen hebben dit een visionaire prent genoemd, een meesterwerk. Een klassieker. Maar soms moet je als criticus ook al eens tegendraads durven doen – wat mij betreft is ‘Blade Runner’ een visueel pareltje, dat me inhoudelijk echter steenkoud achterlaat. Het is ontegensprekelijk een belangrijke film, waarover heel wat te vertellen valt, en z’n opname in een reeks besprekingen van klassiekers is daarmee meer dan gerechtvaardigd, denk ik. Maar ik heb de film nu vier keer bekeken en telkens opnieuw merk ik dat ik zit te proberen om ‘m beter te vinden dan eigenlijk het geval is. Omdat ‘Blade Runner’ zo’n immense reputatie heeft, zit ik te zoeken naar goeie dingen, naar dingen waar ik positief over kan spreken. Maar m’n spontane reactie is er één van afstandelijke bewondering voor de visuele pracht en praal. Waarna ik op m’n horloge kijk.

Het jaar is 2019 – de Tyrell Corporation is een machtige industriële gigant die zogenaamde “replica’s” produceert, humanoïde robots die bestemd zijn voor slavenarbeid op gekoloniseerde planeten. Aangezien de replica’s in staat zijn tot reële emoties en intellectueel superieur zijn aan eender welk mens, raken sommigen onder hen hun leven als slaaf echter beu, en wanneer er robots in opstand komen, moeten de “blade runners” in gang schieten, speciale agenten gespecialiseerd in het opsporen en uitschakelen van replica’s. Harrison Ford is Deckard, een blade runner die in de eerste plaats gespecialiseerd is in het mistroostig voor zich uit staren in een café naar keuze in continu regenachtig Los Angeles. Wanneer vijf replica’s, onder leiding van Roy (Rutger Hauer), onstnappen van de planeet waarop ze werkten en koers zetten naar aarde, wordt hij erbij geroepen om hen tegen te houden.


Het was George Lucas die in 1977, met zijn ‘Star Wars’, het concept van de ‘used future’ initiëerde – science fiction waarin de futuristische sets, rekwisieten en kostuums, eruit zagen alsof ze allemaal al een tijdje hadden moeten meegaan. Ridley Scott nam dat idee al over in ‘Alien’ in ’79, en in ‘Blade Runner’ voert hij het principe in rechte lijn door. Geen blinkende nieuwe wagens, geen hypercompacte, superefficiënte technologische snufjes, niets van dat alles. In de toekomst is het nog steeds evenzeer behelpen als nu – auto’s kunnen dan wel vliegen, maar in de eerste plaats zouden ze eens gewassen moeten worden. Technologische vooruitgang heeft primair gezorgd voor nóg grotere, onpersoonlijke wolkenkrabbers waarin mensen als sardientjes op elkaar gepakt zitten, voor nóg grotere reclamepanelen (de product placement in ‘Blade Runner’ neemt hallucinante proporties aan) of, zoals in het geval van de replica’s zelf, voor nóg grotere veiligheidsproblemen. De toekomst van ‘Blade Runner’ bevat eigenlijk nauwelijks vooruitgang. Alleen modernisering.



En die modernisering is vaak een genot om naar te kijken – Scott benadert ‘Blade Runner’ als een film noir, en werkt dan ook met diepe schaduwen, lichten die door luxaflexen naar binnen vallen, opkringelende rook, neonlichten, fotogeniek neerplensende regen en vaak lang aangehouden close-ups. Al die visuele motiefjes van de film noir zien we hier terug, maar dat dan gekoppeld aan special effects die voor 1982 ronduit spectaculair waren, en nu nog steeds verrassend geloofwaardig overkomen, gelet op de leeftijd van de prent. ‘Blade Runner’ is fantastisch om naar te kijken, elk beeld is een plaatje, zorgvuldig geconstrueerd door een regisseur die wéét wat compositie betekent, het in elkaar steken van een shot. Let op die vele beelden van het Tyrell gebouw. Of die finale waarin Ford aan de rand van een gebouw hangt te bengelen. Rutger Hauers memorabele vaarwel (All these moments will be lost in time, like tears in the rain...), gevolgd door een slow-motion shot van een opvliegende duif.


Dat zit dus allemaal wel goed, maar buiten een simpel schouwspel moet een film ook op het inhoudelijk niveau iets te bieden hebben dat de moeite van het vermelden waard is. ‘Blade Runner’ heeft voldoende visuele kracht om als ode aan de film noir mee te kunnen spelen met de grote jongens, maar de plot op zichzelf is uiteindelijk niet zo opmerkelijk. Deckard weet vanaf het begin hoe het verhaal in elkaar zit en hoe de betrokken replicanten eruit zien – veel detectivewerk is er van zijn kant niet vereist. Hij volgt de sporen die zichzelf aandienen en na een tijdje botst hij simpelweg op de robots die hij zoekt. Ook een romance tussen Deckard en Rachael (Sean Young), een replicante die aanvankelijk niet eens wéét dat ze geen echt persoon is, komt nogal magertjes over. Rachael werd door haar schepper gemaakt met een ingebouwd geheugen vol herinneringen aan een leven dat ze nooit heeft geleid. Voor zover zij weet, is ze een gewoon mens – tot Deckard haar koudweg meedeelt dat ze wel degelijk een replica is. Hij somt haar meest intieme jeugdherinneringen op, omdat hij weet wat Tyrell bij haar heeft geprogrammeerd. Allemaal goed en wel, dat zijn tamelijk interessante scènes, maar volgens welke logica komen we van die situatie plotseling naar één waarin Rachael in staat is om verliefd te worden op Deckard? Meer dan dat, gezien wat voor hekel Deckard heeft aan replica’s, waarom zou hij zichzelf toestaan om verliefd te worden op haar?




‘Blade Runner’ is meer een film van ideeën dan één van plot: het idee van een hevig gecommercialiseerde toekomst waarin business alles bepaalt en het concept van menselijkheid steeds verder wordt uitgehold (wat wel vaker terugkwam bij Philip K. Dick, de schrijver op wiens kortverhaal de film gebaseerd is). Wanneer wordt een machine menselijk? Waar gaat hij zich de vragen stellen: wat doe ik hier en waarom? De manier waarop de replica’s op zoek gaan naar hun schepper, is weinig meer of minder dan een zoektocht naar God, om hen die eeuwige vraag te stellen die de mensheid ook al jaar en dag dwarszit: waarom die flauwe plezante ons eigenlijk gemaakt heeft als we uiteindelijk tóch de pijp aan Maarten moeten geven. Die ideeën overleven in de film, maar de verhaalsstructuur waarin ze gegoten worden, is simpelweg niet zo uitdagend of boeiend als hij had kunnen zijn.

Bovendien laat Ridley Scott ook hier z’n gebruikelijke neiging tot bombast weer gelden, met scènes die soms bizar lang worden uitgerokken (de finale confrontatie tussen Deckard en Roy duurt twintig minuten, wat op den duur eindeloos gaat lijken) en een synth muziekscore van Vangelis die ronduit wraakroepend is. Had Scott ons nu eens in de eerste plaats personages gegeven waarvoor we iets kunnen voélen of een plot die ons iets méér werk te doen gaf om ‘m in elkaar te puzzelen, dan had dit inderdaad de visionaire film kunnen zijn die velen ‘m nu al noemen. Zoals het is, noem ik dit een interessante mislukking. Visueel interessant dan.

Bron : http://www.digg.be/movie.php?id=724

donderdag 14 februari 2008

Cimetière du Père-Lachaise

Een laan op Père Lachaise


Een laan op Père Lachaise

Ingang van de begraafplaats



Ingang van de begraafplaats

Columbarium


Columbarium

Crematorium



Crematorium

De Cimetière du Père-Lachaise is de grootste begraafplaats van Parijs. Zij is gelegen op en rondom de heuvel Champs-l'-Evêque in het 20e arrondissement.

Geschiedenis

Het terrein behoort vanaf 1626 toe aan de jezuïetenorde. François De La Chaise d'Aix, de biechtvader van Lodewijk XIV, woonde er van 1675 tot 1709. Hij stond onder zijn tijdgenoten bekend als 'Père De La Chaise'.

Het landgoed werd in 1762 verkocht om schulden van de jezuïeten te kunnen afbetalen. Na de Franse Revolutie verviel het bezit aan de stad Parijs die er in 1804 een begraafplaats van maakte met de naam 'Cimetière De l'Est'. Onder de Parijse bevolking staat de begraafplaats van meet af aan bekend als 'Cimetière du Père-Lachaise'.

In 1804 werd de opdracht voor het ontwerpen van een begraafplaats verstrekt aan de toenmalige Parijse stadsarchitect Alexandre-Théodore Brongniart, een leerling van Etienne-Louis Boullée. In die ontwerpopdracht voor de begraafplaats van Père Lachaise staat omschreven dat Brogniart rekening moet houden met de bestaande beplanting en de glooiing van het terrein. Zijn gesprekspartner vanwege het stadsbestuur is de gekende neoclassicistische architect Quatremère de Quincy (1755-1849), bovenal bekend van zijn boek De l'Imitation, een pleidooi voor het behoud van de klassieke ordes.

Bij wijze van 'reclamestunt', worden onder andere Abélard en Heloïse, Molière en La Fontaine op de locatie herbegraven. Père-Lachaise is vanaf dat moment een prestigieuze laatste rustplaats. De gegoede burgerij van Parijs laat in de jaren die volgen, geïnspireerd door de Romantische tijdgeest, menig grotesk grafmonument op het terrein verrijzen.

In de periode tot 1850 wordt de de begraafplaats vijfmaal uitgebreid. De oorspronkelijke 17 hectare van het jezuïetenlandgoed groeien in die tijd uit tot de huidige oppervlakte van 47 hectare. De begraafplaats van Père Lachaise is onmiddellijk het prototype van de extra-muros begraafplaats. In de hele Westerse wereld wordt het voorbeeld gevolgd. In diverse steden in heel Amerika worden de 'rural cemeteries' aangelegd. Mount Auburn (1831) in Boston Massachusetts is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld, het Evergreen Cemetery in Newark, New Jersey dateert van 1853 en in Engeland wordt in 1839 het beroemde Highgate Cemetery aangelegd.

Beeldhouwkunst

Beroemde voorbeelden van Romantische beeldhouwkunst zijn op Père-Lachaise te zien.

Vermeldenswaard zijn onder andere:

Graven van beroemdheden

Het graf van Honoré de Balzac

Het graf van Honoré de Balzac

Het graf van Guillaume Apollinaire

Het graf van Guillaume Apollinaire

Het graf van Gilbert Bécaud

Het graf van Gilbert Bécaud

Het graf van Edith Piaf

Het graf van Edith Piaf

Het graf van Jim Morisson

Het graf van Jim Morisson

Het graf van Jean-François Champollion

Het graf van Jean-François Champollion

Het graf van Alain Kardec

Het graf van Alain Kardec

Het graf van Édouard Branly

Het graf van Édouard Branly

Urne van Maria Callas

Urne van Maria Callas

Het graf van Marcel Proust

Het graf van Marcel Proust

Het graf van Frédéric Chopin

Het graf van Frédéric Chopin


Andere graven alfabetisch:



A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q

R - S - T - U - V - W - X Y Z

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Cimeti%C3%A8re_du_P%C3%A8re-Lachaise


woensdag 13 februari 2008

Je ne regrette rien .



Non ! Rien de rien
Non ! Je ne regrette rien
Ni le bien qu'on m'a fait
Ni le mal tout ça m'est bien égal !

Non ! Rien de rien
Non ! Je ne regrette rien
C'est payé, balayé, oublié
Je me fous du passé !

Avec mes souvenirs
J'ai allumé le feu
Mes chagrins, mes plaisirs
Je n'ai plus besoin d'eux !

Balayées les amours
Et tous leurs trémolos
Balayés pour toujours
Je repars à zéro

Non ! Rien de rien
Non ! Je ne regrette rien
Ni le bien, qu'on m'a fait
Ni le mal, tout ça m'est bien égal !

Non ! Rien de rien
Non ! Je ne regrette rien
Car ma vie, car mes joies
Aujourd'hui, ça commence avec toi !

Edith Piaf

Bron : http://www.paroles.net/chanson/19072.1
Bron : http://imagecache2.allposters.com/images/pic/VAS/0000-2204~Edith-Piaf-Posters.jpg

dinsdag 12 februari 2008

De mus van Parijs















Édith Giovanna Gassion (Parijs, 19 december 1915Plascassier, 9 oktober 1963/officieel in Parijs op 11 oktober 1963) was een Franse chansonnière. Als Édith Piaf kreeg ze grote bekendheid. Piaf betekent in het Frans 'mus'. Ze werd ook wel het meisje mus ('La môme Piaf') genoemd. Ze zong chansons, waarvan de bekendste zijn: La vie en rose, Non, je ne regrette rien en Milord (geschreven door Georges Moustaki).


Édith Piaf werd in Parijs geboren als dochter van een kroegzangeres en een acrobaat. Zij werd door haar grootmoeder, die in Normandië een bordeel runde, opgevoed. Haar debuut als zangeres maakte ze rond haar 15e jaar, toen zij voor het eerst optrad als straatzangeres. Toen Piaf 16 jaar oud was kreeg zij een dochter (Marcelle), verwekt door Louis Dupont: een Parijse bode op wie zij verliefd was geworden. Het kind stierf reeds op 2-jarige leeftijd door hersenvliesontsteking.

De eigenaar van het Parijse theater Cirque Médrano ontdekte haar toen zij twintig jaar oud was. In 1936 trad zij voor het eerst op in dat theater.

Zij voelde zich bij het optreden voor publiek extreem nerveus. Het was de nachtclubeigenaar Louis Leplée die haar aanmoedigde om desondanks te blijven zingen. Hij gaf haar haar bijnaam La Môme Piaf (Het Meisje Mus), die ze haar verdere leven zou houden. Leplée werd kort daarna vermoord. Piaf werd vrijgesproken van medeplichtigheid, waarvan zij aanvankelijk werd verdacht.

Piaf raakte bevriend met verschillende beroemdheden, zoals de acteur Maurice Chevalier en de dichter Jacques Borgeat. In 1940 werd het toneelspel Le Bel Indifferent voor haar geschreven door Jean Cocteau.

Tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog schreef Piaf haar meest befaamde lied La vie en rose. Zij was toen zowel bij de Duitse bezetters als onder de Franse bevolking een geliefd zangeres. Na de oorlog trad ze overal in Europa op en breidde haar roem zich ook buiten Frankrijk uit. Haar tragische leven wordt weerspiegeld in haar muziek, met als specialiteit de met hartverscheurende stem voorgedragen scherpe ballade.

De bokser Marcel Cerdan was de grote liefde van Piaf. Cerdan was echter reeds gehuwd en hij had drie kinderen. Piaf was zijn maîtresse. In 1949 overleed Cerdan door een vliegtuigongeluk. Piaf had veel moeite om haar verdriet te boven te komen. Toch huwde zij daarna tweemaal. Van 1952 tot 1956 was zij getrouwd met de zanger Jacques Pills. In 1962 trouwde zij met Theophanis Lamboukas, een 20 jaar jongere zanger en acteur. Het laatste huwelijk leidde tot veel kritiek. Lamboukas werd ervan verdacht Édith getrouwd te hebben om haar roem en geld. Édith eiste publiekelijk haar recht op om hem lief te hebben en zong daarom 'Le droit d'aimer' voor haar geliefde.

Parijs Olympia is de plaats waar Édith Piaf bekendheid bereikte en waar zij slechts een paar maanden vóór haar dood nog een van haar meest gedenkwaardige concerten gaf. Begin 1963 nam ze haar laatste lied, L'homme de Berlin, op.

Overlijden

Het graf

Het graf

Piaf stierf aan een inwendige bloeding in Plascassier (gemeente Grasse), een plaatsje in de buurt van Cannes (Zuid-Frankrijk) op 9 oktober 1963. Haar lichaam werd vervolgens per ambulance naar haar huis in Parijs overgebracht waar het voor publiek werd opgebaard. De bekendmaking van haar dood was pas enkele dagen later, namelijk op 11 oktober. Jean Cocteau, haar grote vriend, werd binnen enkele uren na het horen van dit nieuws door een hartaanval getroffen en stierf. Naar verluidt zou hij hebben gezegd : "Ik ben ongeneeslijk ziek, dat is erg; Piaf is dood, dat is erger". Édith werd begraven op de bekende begraafplaats van Père-Lachaise in Parijs. Haar begrafenis trok honderdduizenden mensen naar de straten van Parijs en de ceremonie bij de begraafplaats werd geblokkeerd door meer dan veertigduizend fans. Charles Aznavour, die zijn carrièrestart aan Piaf te danken had - ze ging met hem op reis in Frankrijk en de Verenigde Staten -, herinnerde eraan dat de begrafenis van Piaf het enige moment was na de Tweede Wereldoorlog dat het hele verkeer van Parijs stil lag.

Bron :http://nl.wikipedia.org/wiki/%C3%89dith_Piaf



Onder de mist: Parijs.

.
.

Gare du Nord

Voorgevel van Gare du Nord


Voorgevel van Gare du Nord

Zicht onder de overkapping


.















Het Parijse Gare du Nord is een van de zes grote kopstations in de Franse hoofdstad. In reizigersaantallen (ongeveer 180 miljoen per jaar) is dit het drukste spoorwegstation van de SNCF en een van de drukste ter wereld.

Geschiedenis

Het eerste station 'Parijs-Noord' werd gebouwd in opdracht van de Chemin de Fer du Nord. Het werd op 14 juni 1846 geopend, tegelijk met de ingebruikname van de spoorlijn Parijs–AmiensRijsel van deze spoorwegmaatschappij. Al snel bleek het station te klein. Het werd in 1860 gesloopt om ruimte te maken voor het huidige station. De originele voorgevel werd verplaatst naar het station Lille-Flandres in Rijsel.

Aan het nieuwe station, een ontwerp van architect Jacques Hittorff, werd gebouwd tussen mei 1861 en december 1865, maar het station werd al geopend in 1864. De rijkelijk geornamenteerde façade werd ontworpen rond een triomfboog met 23 standbeelden voor alle 23 steden die de Chemin de Fer du Nord bediende. De zes grootste standbeelden stellen de internationale bestemmingen voor (Parijs, Londen, Berlijn, Amsterdam, Wenen, en Brussel), de meer bescheiden standbeelden staan voor de nationale bestemmingen.

Ook het nieuwe station bleek te klein. Nadat in 1884 al vijf extra sporen waren toegevoegd, werd in 1889 het interieur geheel vernieuwd en werd aan de oostzijde een deel aangebouwd voor de lijnen naar Parijse voorsteden. Tussen de jaren dertig en zestig werd het station verder uitgebreid.

Vanaf 1906 beschikt het station over metrostation Gare du Nord. Aanvankelijk alleen voor lijn 4 naar het centrum van Parijs. Vanaf 1908 ook voor lijn 5 die een verbinding geeft met Gare de l'Est en Gare de Lyon. Metrostation La Chapelle van lijn 2 is door een ondergrondse tunnel met het station verbonden. Verder is in de toekomst nog een ondergrondse verbinding met het nabijgelegen Gare de l'Est voorzien.

Gebruik

Het Gare du Nord dankt zijn betekenis vooral aan het gebruik van de SNCF, de Franse spoorwegen. Het complex wordt daarnaast gebruikt door de RER, de spoorwegen in de regio van Parijs, de metro en de bus.

Paris Nord is het eindpunt van de Thalys-treinen uit Amsterdam Centraal, Brussel-Zuid, Oostende en Köln Hbf, de Eurostar uit Londen en de meeste treinen uit Noord-Frankrijk.

Het station bestaat uit drie overkappingen over de perrons van de SNCF en een gebouw van de RER. Van deze overkappingen is die van de HSL-lijnen de grootste. Achter de façade is een grote stationshal, waarin alle passagiers hun weg naar de goede verbinding moeten zoeken. Vanuit deze hal gaan trappen naar beneden, naar het metrostation dat onder het Gare du Nord ligt; in het metrostation is de bewegwijzering naar het treinstation zeer gebrekkig. Naast het Gare du Nord ligt ook nog de eindhalte van een aantal buslijnen. De opstaphalte voor taxi's is aan de westelijke zijkant.

Spoorindeling

  • Spoor 3 tot 6: Eurostar naar Londen.
  • Spoor 7 en 8: Thalys naar België, Nederland, en Duitsland.
  • Spoor 9 tot 29: TGV Nord, regionale treinen.
  • Spoor 30 tot 40: Voorstadstreinen.
  • Spoor 41 tot 44 (ondergronds) : RER-station.
Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gare_du_Nord

maandag 11 februari 2008

Het Musée d'Orsay

Het Musée d'Orsay is het jongste prestigieuze museum van Parijs, geopend in december 1986. Het is gehuisvest in de voormalige Gare d'Orsay die daartoe grondig werd gerestaureerd en (inwendig) verbouwd en biedt onderdak aan alle takken van de kunst voor de periode 1848 - 1914.Dit nieuwe museum over de 19de eeuw, vroeger station, bevindt zich aan de Seine tegenover de tuin der Tuilerieen en ontleent zijn naam aan de Quai d'Orsay (thans echter quai A. France in dit stuk) langs de welke ook het Franse ministerie van buitenlandse betrekkingen ligt.

De 19de-eeuwse industriële revolutie schiep niet alleen treinen en spoorwegen maar ook ermee samenhangende nieuwe opdrachten voor de architectuur zoals de bouw van bruggen en van functionele stationshallen.Ze creeërde ook de nieuwe materialen waarmee deze gebouwen werden opgetrokken: gestandaardiseerde gietijzeren staven. Alleen met ijzer en glas konden enorme stationshallen overwelfd worden en niet met de traditionele stenen materialen. Gewapend beton kwam nog niet in aanmerking. Aan de vooravond van de wereldtentoonstelling van 1900 en naar het voorbeeld van gelijkaardige stationshallen liet architect V. Laloux in twee jaar tijd de Gare d'Orsay optrekken.

Het station werd gebouwd in een recordtempo, van 1898 tot 1900. De constructie was heel gedurfd voor die did, met een enorme metalen structuur die zwaarder weegt dan de Eiffeltoren en een middenschip groter dan dat van Notre-Dame ! Hoewel het gebouw opgetrokken werd eind 19de eeuw, is de stijl een mengeling van rococo en Napoleon III met een vleugje 1900 en heeft het meer weg van een paleis dan van een station. Later werd er een luxehotel bijgebouwd, waar in 1958 generaal de Gaulle zijn terugkeer naar het presidentschap aankondigde. Het was een kopstation, uitsluitend voor reizigers die de spoorlijn Paris-Orleans tot in het hart van de stad bracht. Het vormt een mooi voorbeeld van de architectuur in de periode van de Art Nouveau in "Parijs, samen met het Grand en Petit Palais en met de Pont Alexandra III, ook tot stand gekomen in 1900. Maar van het station werd nauwelijks dertig jaar gebruikgemaakt. De treinen waren immers to lang geworden en de perrons konden niet verlengd worden. De spoorliin naar het zuidwesten van Frankrijk werd dus opnieuw verbonden met het gore d'Austerlitz en Orsay was het tijdelijke onderkomen voor het theater Renaud­.Barrault en voor het veilinghuis Drouot.

De eigenlijke stationshal is een indrukwekkende, 170m lange, ruimte volledig overwelfd in glas en gietijzer. Het naar de smaak van de tijd te industriële aspect van het gebouw werd weggestoken achter een lange classisistische façade (versierd met beelden van Franse steden en van Mercurius de beschermer van de reizigers) en achter het er tegenaan gebouwde Hotel Terminus met zijn vele rijk gedecoreerde salons en 370 kamers. In het interieur van de hall werd de ruimte tussen de metalen pijlers met plaasteren, antiek uitziende cassettes versierd. Een schitterend monumentaal horloge in 19de-eeuwse romantisch-classisistische stijl gaf de reizigers het juiste uur aan.

Door de modernisering van het treinverkeer, sinds 1939 niet meer gebruikt kreeg het gebouw achtereenvolgens verschillende occasionele bestemmingen, onder meer als locatie voor de opname van de film "Het Proces" van Orson Welles en als theater. In het begin van de zeventiger jaren werd het vroeger station, in tegenstelling tot de Oude Hallen van Parijs, van de afbraak gered door de hernieuwde belangstelling voor de bouwkunst van de late 19de eeuw.

De idee er een museum van te maken, kreeg vorm in 1975. Twee jaar later organiseert Giscard d'Estaing een wedstrijd. De inrichtingvan het station wordt toevertrouwd aan Gae Aulenti, een Italiaans architect. Het probleem was niet zo eenvoudig op te lossen. In een structuur die daar niet voor gebouwd was, moest nu een museum komen. De verlichting en de verwarming dienden aangepast aan deze enorme ruimte. Men moest erop bedacht zijn, dat het niveau van de Seine plots zou kunnen stijgen en de trillingen van de onderliggende extra snelle metro, de RER, moesten geneutraliseerd worden. En vooral, dat alles ging een pak geld kosten, wat wellicht het grootste struikelblok was. De nieuwe president, François Mitterrand, maakte komaf met de onzekerheden. Het project moest er komen en dus werd het budget verdrievoudigd.

Gae Aulenti ontworp een museum metvijf niveaus. In de middenbeuk, een centrale gang met aan beide kanten elkaar opvolgende zaaltjes. Dan een reeks terrassen die met weer andere zalen in verbinding staat. Een monumentale architectuur, die dankzij de stenen wat meer kleur heeft, vormt een tegengewicht voor het hoge gewelf.

De Italiaanse binnenhuisarchitecte G. Aulenti is volgens sommige critici wel en volgens anderen minder goed geslaagd in haar moeilijke opdracht de oorspronkelijke architectuur van Laloux te respecteren en anderzijds toch voldoende tentoonstellingszaaltjes op verschillende verdiepingen in te richten. In het bijzonder de twee uitkijktorens achterin de hall, die weliswaar een mooi overzicht bieden, zijn het voorwerp van kritiek.

De museumcollectie

Het museum wil een zo volledig mogelijk overzicht bieden van de gehele kunstproductie vanaf ca 1848 tot ca 1914 en aldus een brug slaan tussen de verzamelingen van het Louvre (van de Oudheid tot de 19de E.) en van het Musee d'Art Moderne in Beaubourg (20ste E.).

Hoewel het accent op de beeldhouw-, schilder- en sierkunst ligt, is er ook ruime aandacht voor de architectuur, en voor de nieuwe kunsten der fotografie en van de cinematografie (uitgevonden 1895). De literatuur en de muziek zullen geëvoceerd worden via tijdelijke tentoonstellingen, voordrachten en allerlei manifestaties. Overal in het museum tenslotte vinden de bezoekers documentatie rond de historische context waarin de tentoongestelde kunstvoorwerpen tot stand kwamen (Passage des dates, Passage de la Presse ... ).

Schilderkunst . - Delacroix (Romantiek), Ingres (Classicisme), Daumier (naturalisme), school van Barbizon: Millet , Corot (Romantisch-realisme), Courbet (realisme), Puvis de Chavannes

Impressionisme (grootste bloei 1870-1880): Manet, Monet, Renoir, Pissarro, Sisley, Degas.

Neo-impressionisme, Seurat, Signac, Pissarro.

pointillisme (1880-1890....)

- Post-Impressionisme, voorlopers van de 20ste eeuw (na 1880): Gauguin, Van Gogh, Cézanne, Toulouse-Lautrec, Rousseau le douanier.

- Les Nabis: Vuillard, Bonnard, Denis.

Beeldhouwkunst: Rude, Carpeaux, Carrier-Belleuse, Rodin, Bourdelle, Maillol

Art Nouveau: Guimard, Gallé en de school van Nancy, Lalique, art nouveau uit Belgiue (Van de Velde), Wenen, Glasgow, Chicago.

Bron : http://users.telenet.be/robertdelva/orsay.htm