donderdag 20 december 2007

Inleiding tot de Edda

Edda is een naam, die een eerbiedwaardige klank heeft; wie hem hoort, denkt daarbij aan overoude Germaanse traditie, aan mythen van heidense goden, misschien zijn er wel, die dromen van in orakeltaal gesproken heilige leringen uit ver verleden. Het woord Edda zelf is onverklaard en behoort eigenlijk aan een ander, boek toe; slechts door de vergissing van een 17de-eeuws geleerde werd hij ook aan de verzameling liederen toegekend, die sindsdien bij uitstek als de eigenlijke Edda bekend gebleven is.

'Een gelukkig toeval heeft het handschrift bewaard, waardoor wij de Edda-verzameling kennen. Dit koninklijk manuscript (Codex Regius) op het eind der 13de eeuw geschreven, werd in de 17de eeuw door den IJslandsen bisschop van Skalholt ontdekt en naar Kopenhagen gezonden, waar het sindsdien als de grootste schat van de Koninklijke Bibliotheek bewaard wordt. Geheel volledig is het niet, want in het midden ontbreekt een vel van acht bladen, waarop enige heldenliederen geschreven waren.De samensteller van het handschrift is met grote zorgvuldigheid te werk gegaan, allereerst door de vernuftige ordening der gedichten. Voorop plaatst hij de godenliederen; daarna laat hij de heldenliederen volgen. In elk dezer afdelingen schept hij ook orde en wel in de eerste groep door de gedichten te rangschikken naar de goden, die daarin een rol spelen en in de tweede groep naar de heldensagen, die zij behandelen. Verder heeft hij door korte prozastukjes, waar het hem nodig scheen, de gedichten verduidelijkt, of een overgang tussen verschillende liederen geschapen.

Naast deze codex zijn de overige handschriften van veel minder betekenis. Zij zijn óf uiterst fragmentarisch óf bevatten een Eddalied, dat niet in de Regius staat; dit is het geval met de nummers 6, 7, 13, 14 en 15, alle dus godenliederen, die evenals in de Edda-uitgaven ook in onze vertaling zijn opgenomen. Daarnaast zijn er echter ook nog andere liederen, die in de Edda-trant geschreven zijn. en heldensagen bevatten, maar die men toch niet tot de eigenlijke Edda pleegt te rekenen. Er is dus in de oude Noordgermaanse poëzie een bijzonder genre, dat wij door de naam Edda kenmerken. Waarin zijn eigen aard bestaat, blijkt duidelijk, wanneer wij deze gedichten vergelijken met de liederen, die de skalden of hofdichters hebben vervaardigd; zij vertonen ten opzichte van deze kenmerkende verschillen. Allereerst zijn de Edda-liederen alle naamloos: geen dichter heeft, zo hij het al gewild mocht hebben zijn naam duurzaam aan deze poëzie kunnen verbinden; het nageslacht heeft haar als algemeen en overoud volksbezit beschouwd. Het auteursrecht der skalden is echter te allen tijde erkend en men kan het zich best begrijpen, dat de maker van zulk een technisch kunststukje als het pronkvolle lofdicht der skalden is, in lengte van dagen als zodanig erkend bleef. Daartegenover is het Eddalied eenvoudig van vorm en taal; wij zullen de eigenaardigheden van het Eddavers straks meer in bijzonderheden behandelen; hier zij er slechts op gewezen, dat het hanteren van de kunstregels dezer poëzie geen enkele bijzondere oefening of leerschool schijnt te eisen. Die eenvoud van vorm, gepaard aan de volstrekte anonymiteit moet van zelf de indruk wekken, dat zij uit een overoud verleden stammen, waarin alle herinnering aan de toen levende mensen vervaagd is. Men had even goed aan een IJslandsen Homerus kunnen denken.

Ongetwijfeld is het juist, dat deze kunst tot ver in het verleden reikt. Dit is een poëzie, gelijk wij ze ons in de tijd der Volksverhuizing kunnen denken, poëzie ook, die in gelijksoortige gedaante bij alle Germaanse stammen gebloeid moet hebben, bij Goten en Franken niet anders dan bij Saksen of Zweden. Intussen, moge de dichtsoort dus van het begin onzer jaartelling tot in de Middeleeuwen beoefend geweest zijn, daaruit volgt nog geenszins, dat enig lied afzonderlijk zo oud zou zijn. Dit is zelfs onmogelijk, daar de taal zich in de loop der eeuwen zó sterk gewijzigd heeft, dat een gedicht uit de 6de eeuw, overgebracht in taalvormen der 9de eeuw tot stumperig proza zou vervallen zijn. Maar wél kan men zich denken, dat zulk een oud lied zich geleidelijk veranderde, zelfs geheel werd omgewerkt en vernieuwd en toch in zijn verjongde vorm zich zelf gelijk gebleven was. Er zijn althans zeker een aantal liederen, die tot aan de grens van de 8ste en 9de eeuw kunnen teruggaan; Maar Eddaliederen konden er in alle eeuwen worden gemaakt, en zij werden het inderdaad. In deze verzameling vinden wij er, die ontstaan zijn omstreeks het jaar 1000, toen op IJsland het Christendom aanvaard werd; er zijn er zelfs, die nog in de i3de eeuw gedicht werden, kort vóór het ogenblik, waarop zij in de Codex Regius gebundeld werden. Geen wonder, dat er in toon en vorm zeer belangrijke verschillen aan de dag treden.

Op het eind der 9de eeuw werd IJsland van Noorwegen uit bevolkt. Gedichten, die ouder dan dit tijdstip zijn, moeten dus in laatstgenoemd land gemaakt zijn. Voor de latere liederen is de beslissing moeilijker, maar aangezien op welhaast allé gebieden der literatuur IJsland de leiding neemt, ligt het voor de hand, dat ook van hier de latere Eddaliederen stammen. Er is zelfs één gedicht (nr. 25), dat in het handschrift nadrukkelijk als uit Groenland afkomstig aangeduid wordt.

Godenliederen spreken wellicht het sterkst tot de verbeelding van den modernen lezer. Deze denkt dan gaarne aan een diepzinnige mythe, waarin een heidens godsgeloof zich verhulde; zijn er zelfs niet geweer die van een Germaanse Bijbel spraken? Zeer ten onrechte, al was het slechts hierom, dat van een leer, een dogma, in het heidense geloof geen sprake was. Dit was veeleer een geloof van praktische ritus, nodig om het leven van mens en natuur, van familie en wereld zijn veilige, heilzame weg te doen gaan. Men vereerde de goden niet uit hoofde van een geopenbaard inzicht in het wezen van leven en schepping, dood en noodlot, maar omdat het de zede zo eiste, omdat slechts zó de kosmische orde ongebroken bleef.

Men behoeft trouwens de Edda-verzameling slechts door te lezen, om telkens weer verontrust te worden door de vraag, of wat hier gezegd wordt, spel dan wel ernst is. Vreemder nog, er klinkt zoveel humor, zoveel spot, zoveel satyre dat de gedachten eerder afdwalen naar Lucianus, dan naar de Bijbel. Is er eigenlijk wel geloof, zijn wij geneigd te vragen, of is het dezelfde geest, waarmede de vrijdenkende Grieken hun oude mythen behandelden?

Ook hier moet men schiften en scheiden. De liederen stammen uit zo verschillende tijd; zij zijn bovendien van zo uiteenlopende aard. Daar zijn allereerst de liederen, waarin mythen worden verhaald, zoals die twee kostelijk-humoristische gedichten, waarvan avonturen van Thor het onderwerp zijn (nrs. 9 en 10), of de twee, die tot de kring van Freyr behoren (nrs. 12 en 13). Waarschijnlijk is geen dezer liederen tot de eigenlijk heidense tijd te rekenen. Want wel heeft zelfs in een tijd, dat men nog aan Thor geloofde, naast diepe, oprechte eerbied ook dartele spot over zijn vermakelijke avonturen geklonken, maar of hij zo geheel als de goedmoedige reus van het sprookje beschouwd werd, lijkt toch wel twijfelachtig. En wel is Freyr de god, die in de lente met het ontwaken der natuur wordt gewekt tot een nieuw leven van liefde, waarin hij, de hemelgod, zich met de godin der aarde verenigt, om alom in mens en dier en plant het rhythme van de levensgang in nieuwe opgang aan te vuren, maar zo sentimenteel als de smachtende god van nr. 12 kunnen wij ons den heidensen Preyr toch moeilijk voorstellen. Zo zijn deze gedichten eerder latere berijmingen van oude mythen, jonge variaties op een oud thema.

Klinkt hier humor, in andere klinkt spot, zoals in nrs. 8 en 11. Deze dichters hadden pleizier in de chronique scandaleuse der heidense Goden, zoals eens de kerkvaders uit het labyrinth der Griekse mythologie hun stof vonden voor verontwaardigde kritiek en meedogenloze spot. Een gedicht als Loki's schimprede getuigt althans niet van een geloof, waarin de onkuisheid der goden aanvaard wordt als mythische uitbeelding van de drift, die gans de natuur tot nimmer aflatend scheppen dwingt; het bewijst slechts, dat men met een schampere blik de schandaaltjes aaneenrijgt tot een zeer onstichtelijke revue.

Plaats daarnaast echter weer het verheven gedicht, waarmede de Codex aanvangt, en men beseft hoeveel ernst, hoeveel innigheid en waardigheid kon wonen in de geest van een man, die het grote probleem van mensenleven en wereldbestaan ,tot in zijn volle diepte trachtte te peilen. Hier zien wij op de grens, waar heidendom en Christendom elkander ontmoeten, een kunstwerk ontstaan, omdat een waarachtig mens in zijn ziel door het leed der mensheid gegrepen was. Van geheel andere aard dan deze verhalende gedichten is het drietal nrs. 3, 4 en 5, die naar de vorm zich kenmerken door een spel van vragen en antwoorden, naar de inhoud door het mededelen van zakelijke feiten betreffende de mythologie. Hier kan gevraagd worden naar namen van goden en dieren en dingen, of naar gebeurtenissen, die liggen tussen schepping en wereldondergang; het kunnen onbelangrijke details uit het gewirwar van het oerbos der godenmythen zijn, maar ook dingen, die een centrale betekenis hebben in het leven van goden en mensen. Een geliefkoosde omlijsting van zulk een vraaggesprek is een weddenschap tussen twee bovennatuurlijke wezens, die beiden in wijsheid uitmunten. Formeel kenmerk is daarbij de herhaling van vaste uitdrukkingen in de aanhef der opeenvolgende vragen, ook de parallelle bouw van antwoord en vraag, zelfs ook het tellen der opeenvolgende vragen. Zoals de gedichten ons overgeleverd zijn, zullen zij wel niet een hoge ouderdom hebben, maar men mag aannemen, dat zij, een overoude traditie voortzetten, dat in de heidense tijd de mythologische omlijsting van de cultus op deze wijze van geslacht op geslacht overgegeven werd en bewaard bleef.

Allerlei spreuken vol levenservaring en voorschriften tot praktisch handelen kennen wij uit het eigenaardige gedicht nr. 2, waarin bovendien belangwekkende bijzonderheden staan over runenmagie en toverliederen. Ook hier staan oud en nieuw dooreengemengd, maar van zeer groot belang zijn met name die strofen, die ons een glimp geven van, de heilige eerbied, waarmede de kunst van het runenritsen omgeven was. Hoe gelukkig het lot ten slotte het voegde, toen in de Edda een aantal den samensteller bekende liederen bijeengebracht werd, bewijst nog dit, dat wij behalve deze reeks zo rijk gevarieerde inhoud elders nog andere gedichten opgetekend vinden; hier noemen wij slechts nr. 6, het lied van Rig, waarin een dichter een voorstelling trachtte te geven van de inzetting der standen als een hiërarchische ordening van goddelijke oorsprong.

Een kort overzicht van de Noordgermaanse godenwereld is onontbeerlijk voor het verstaan der Eddaliederen. De goden zijn hemelse machten, die in menselijke gedaante voorgesteld worden, en, ieder op zijn gebied, voor de behoeften der stervelingen zorgen. Zij vormen twee verschillende groepen: de Azen en de Wanen, die eens in de oertijd met elkander gestreden hebben (vgl. nr. 1), maar zich daarna hebben verzoend en nu gezamenlijk het regiment der wereld voeren. Tot de Azen behoren de machtigste goden, zoals Odin en Thor; de Wanen zijn in het bijzonder goden der vruchtbaarheid, zoals Njord en Freyr. De beheerser van de godenstaat is Odin, die vooral in de kringen van adel, krijgers en dichters grote verering genoot. Hij bepaalt de afloop van de strijd, geeft den een zege en bereidt den ander de dood. Helden, die lange tijd onder zijn bescherming gestaan hebben, moeten toch eindelijk ervaren, dat ook voor hun geluk een einde bepaald is: dat berokkent den god het verwijt, dat hij onbetrouwbaar is. Maar den held wacht na de dood de eeuwige vreugde van het strijdlievende hiernamaals in Walhalla. Odin is echter ook god van de dichters, omdat hij in het bezit is van de hoogste en diepste wijsheid en als een Noordse Prometheus goddelijke gaven veroverd en den mensen geschonken heeft. Hoe hij de dichtermede verwierf, waardoor men de gave der poëzie deelachtig wordt, hoe hij door een offerhandeling de runenkennis veroverde, dat wordt verteld in het gedicht nr. 2. Magische spreuken en tovergezangen zijn hem in het bijzonder bekend, maar ook de diepste geheimen van het kosmisch bestaan.

Thor is eenvoudiger van structuur. Zijn hamer Mjollnir kenmerkt hem reeds als god van de donder; geweldige kracht is zijn voornaamste eigenschap. Waar het geldt de demonische machten te verdrijven, staat hij klaar, om met zijn bliksemend wapen de vijanden te verpletteren. Zo schijnt hij wel eens een toonbeeld van bruut geweld, gelijk van aard als de reuzen, die hij bestrijdt. Zijn geweldige eetlust wekt bij latere geslachten een glimlach van spot (zie nrs. 9 en 10); men vermaakt er zich mee den geweldenaar belachelijk te maken, door hem aan verstand te doen missen, waarin hij aan kracht anderen overtreft. Maar dit geschiedt uiteen geest, die de mythen der goden als vermakelijke fabels is gaan beschouwen; waar het ongebroken heidense geloof heerst, roept men Thor aan bij alle gevaren en moeilijkheden, die den mens in zijn dagelijks bestaan bedreigen.

Als Wanen zorgen Njord en Freyr voor de vruchtbaarheid. Njord is door zijn zoon Freyr op de achtergrond gedrongen en wordt in het Westelijk gedeelte van Noorwegen voornamelijk als beschermer van de zeevaart vereerd; Freyr zorgt voor akker en veestal en ook voor de vermeerdering van het menselijk gezin. De riten, die dienen om de vruchtbaarheid te bevorderen, kenmerken zich gewoonlijk door sexuele ongebondenheid; zo staat ook Freyr in de slechte roep van wellust en overspel; men verwijt hem vooral, dat hij met zijn zuster Freyja gehuwd was. Maar naast deze heftig-hartstochtelijke zijde staat ook een andere, waar weekheid en gevoel overheersen, zoals dat in nr. 12 aan de dag treedt.

De tragische figuur onder de goden is Baldr, de zoon van Odin, die als offer valt van laaghartig verraad. Hij wordt gedood door een schot van zijn blinden broer Hodr, wiens hand geleid wordt door den bozen Loki. En al was het wapen ook een onaanzienlijke misteltak, het veranderde, toen het afgeschoten was, in een speer, die den jongen, schuldelozen god doorboorde. Baldr's dood is een onherstelbaar verlies, het eerste teken van het naderend einde der ganse godenwereld. Wat Loki tot deze euveldaad gedreven heeft, ervaren wij niet; hij is een onbetrouwbaar element in het gezelschap der goden, altijd geneigd tot boze streken, soms uit onschuldige plagerij, vaak ook uit boosaardig opzet. Een wezen, dat niet geheel tot de wereld der goden behoorde, maar tussen goden en demonen in stond, zoals Loki van den aanvang af schijnt geweest te zijn, ontwikkelt zich gewoonlijk hetzij in de ene, hetzij in de andere richting; in dit geval werd hij onweerstaanbaar naar de wereld der demonen getrokken en aan het eind dezer ontwikkeling wordt hij voor de dood van Baldr verantwoordelijk gesteld, trekt hij zelfs in de Ragnarok aan het hoofd ener demonenschaar op en heet hij de vader van alle kwaadaardige wezens, die de kosmos bedreigen. Voor den Christelijken duivel was hier reeds een Germaans prototype voorhanden. Er waren nog talrijke andere goden, die echter in cultus en mythe een ondergeschikte rol spelen. Soms zijn het goden, die vroeger van groot gewicht zijn geweest, maar langzamerhand op de achtergrond gedrongen werden. Dit was het geval met den ouden hemelgod Tyr, wiens naam beantwoordt aan den Grieksen Zeus en den Romeinsen Jupiter; hij heeft zijn plaats als heerser der goden aan Odin moeten afstaan en treedt slechts een enkele maal, soms zelfs zoals in nr. 9 in zeer ondergeschikte rol, pp. Ook de wachter der goden Heimdall schijnt zulk een oude god te zijn, al tast men in het duister omtrent zijn oorspronkelijk betekenis; wij vinden hem in nr. 1 als den bewaker van de hemelbrug, die bij dreigend gevaar de waarschuwende hoorn zal laten klinken. Anderzijds zijn er ook verschillende goden, die van betrekkelijk jonge oorsprong kunnen zijn, zoals de dichtergod Bragi of Hermod, wiens opdracht om Baldr uit de onderwereld te bevrijden mislukt is, Widar, zoon en wreker van Odin, Wali, eveneens zoon van dezen god, geboren om voor de moord van Baldr wraak te nemen.

Het Germaanse pantheon heeft ook talrijke vrouwelijke godheden, die gewoonlijk op het gebied der vruchtbaarheid werkzaam zijn en dan een ondergeschikte betekenis of lokaal-beperkte werkingssfeer hebben. De voornaamste godinnen zijn Frigg en Freyja, de eerste echtgenote van Odin, de laatste dochter van Njord en gehuwd met Freyr. Maar ook deze godinnen tonen zo weinig individualiteit, dat zij nauwelijks onderscheiden kunnen worden, althans wat haar aard en cultus betreft. Dat zij in sommige gedichten van onkuisheid beticht worden, spreekt haast van zelf, dat hoort nu eenmaal bij de goddelijke machten, wier taak het is, de vruchtbaarheid te bevorderen.

Tegenover de goden staan velerlei demonische wezens. Allereerst de reuzen, die in het. Noorden troll of thurs genoemd worden, en waarin de ruige, gevaarlijke machten van de oernatuur zijn belichaamd. Gelijk de boer op zijn hoeve omringd is door bos, heide, moeras of barre rots, waar een hem vijandige macht zich openbaart, zo heerst er ook in de ganse wereld een nooit aflatende strijd tussen, de bouwers en de vernielers, tussen enerzijds de goden en de mensen, anderzijds de reuzen. Zij hebben vaak monsterachtige gestalte, vormen een voortdurende bedreiging, worden dan telkens weer door de herkulische kracht van Thor bedwongen, maar zullen aan het einde der dagen ten slotte de macht der goden vernietigen (zie nr. 1). De dwergen, klein, listig en kunstvaardig, zoals zij overal elders ook aangetroffen worden, zijn van minder belang; zij smeden kostbare wapens, bezitten geheimzinnige kundigheden (zie nr. 5) en wijsheid. Daarnaast staan nog de alfen, waarschijnlijk oorspronkelijk geesten van afgestorvenen, voornamelijk echter in de aarde werkzaam ter bevordering der vruchtbaarheid en daarvoor zelfs met geregelde offers vereerd. Zo behoren zij tot die brede en rijk geschakeerde wereld van bovennatuurlijke wezens, die voor het welzijn der menschen, de groeikracht van de akker, het gedijen van het vee zorgen, waartoe ook de disen behoren, vrouwelijke schutsgeesten gelijk de nornen, die bij de geboorte aangeroepen worden en op de wijze der Griekse Parcen het lot der stervelingen bepalen.

Ten slotte zijn er de monsters, vaak geheel of gedeeltelijk in diergestalte voorgesteld. Zo is Jormungand, de wereldslang, die om de aarde in een gesloten ring is gewonden, maar bij de ondergang der wereld tezamen met de demonen zal optrekken en de laatste strijd met Thor zal strijden. Of de draak Nidhogg, die aan de wortels van de wereldboom Yggdrasil knaagt en daardoor het bestaan van de kosmos in gevaar brengt. Verder de vervaarlijke wolf Fenrir, die tot aan de Ragnarok in boeien geslagen is, maar ook dan zich zal losrukken. Eindelijk de godin der onderwereld Hel, gevreesd omdat zij regeert in het rijk des doods, waar duisternis en verschrikking heersen, al zijn de afgrijselijke martelingen van de Christelijke Hel er nog niet in zwang.

Het heldenlied omvat het tweede gedeelte van de Edda-verzameling. Zeer terecht heeft de compilator als overgang tussen de beide afdelingen het lied van Wolund geplaatst, daar deze smid als een der alven op de grens der werelden van mensen en bovennatuurlijke wezens staat. Verder zijn het, behalve een drietal liederen, wier centrale figuur Helgi is en die tot een meer speciaal Deense traditie schijnen te behoren, de gedichten, die de wijdvermaarde sagen van den drakendoder Sigurd, de ondergang der Boergondiërs, de dood van Attila en het einde van Ermanarik behandelen. Dit zijn alle sagen, die uit het Zuiden naar Skandinavië gekomen zijn, naar alle waarschijnlijkheid kort na de tijd der Volksverhuizing. Frankische zowel als Gotische stoffen vloeien hier ineen tot een samengesteld geheel, waarin de telkens weer optredende vrouwenfiguren een zekere eenheid scheppen. Die West- en Oostgermaanse overleveringen zijn stellig in de vorm van liederen naar het Noorden gekomen en hebben daar snel een grote populariteit verworven: zij werden vertaald, omgewerkt, met elkander verbonden; nieuwe gedichten traden daarnaast, de sageninhoud woekerde ongestoord verder, werd aan andere plaatsen en personen gebonden - wat er in de loop van een zestal eeuwen is ontstaan en weer verdwenen, kan men uit de bewaarde liederen geenszins opmaken, maar wat wij nu bezitten, hoe jong hun oorsprong in het merendeel der gevallen ook moge zijn, is voldoende om ons er van te overtuigen, dat in het Noorden met liefde de alombekende sagen zijn opgenomen en naverteld. Men moet zich zeker niet voorstellen, dat men uit de bewaarde Eddaliederen een beeld zou krijgen van de Oudgermaanse epiek, maar er lopen toch veel draden tussen beide heen en weer. In één opzicht spiegelen zij zeer getrouw de oude kunst weder: wij vinden hier niet een breed uitgewerkt, rustig voortschrijdend epos, zoals dat het Duitse Nibelungenlied is, maar kleine gedichten, waarin de gebeurtenissen kort en fel behandeld worden. Wanneer wij afzien van de strofische vorm, die een bijzonder kenmerk van de Noordgermaanse poëzie is, dan zijn er onder de bewaarde Eddagedichten nog enkele, die naar inhoud en toon een zeer hoge ouderdom bezitten en als een voorbeeld kunnen gelden voor de epische poëzie, die aan de Germaanse vorstenhoven van de Volksverhuizingstijd bloeide. De moderne lezer moet steeds in gedachte houden, dat zulke liederen bestemd waren voor een gehoor, dat de sagen zelf volledig kende, maar wien het nooit verdroot, ze opnieuw te horen verhalen. Daarom kon de dichter zich vaak veroorloven, midden in het verhaal te beginnen, episoden over te slaan, belangrijke momenten kort samen te vatten, om juist op detailpunten, die hem bijzonder boeiden, het volle licht te laten vallen. De figuren der vrouwen, die van Brynhild en Gudrun, staan in het centrum der belangstelling; het psychologische probleem, dat haar door smart gepijnigd zieleleven biedt, wekt tot nadenken en verklaren. Daar is allereerst Brynhild, wier lot door de merkwaardige aaneenklontering van velerlei sagenstoffen uiterst samengesteld is geworden. Wij kennen uit de Duitse traditie het verhaal, hoe zij ten behoeve van den Boergondischen koning door Siegfried verworven werd, hoe zij later het aan haar bedreven bedrog ervaart en dan niet rust, voor zij den held, dien zij lief kreeg, maar die haar versmaadde, ten ondergang gebracht had. De Noorse overlevering verbindt hiermede nog het motief van de walkure, die door Odin achter een wal van magische vlammen gebannen, door den alles verwinnenden held Sigurd bevrijd wordt. Handelde zij uit bedrogen liefde of gekwetst eergevoel? Wat dreef haar tot die verschrikkelijke wraak, waarin tegelijk met Sigurds leven ook haar eigen bestaan vernietigd werd? Daarnaast Gudrun, gelukkig gehuwd met Sigurd, dan plotseling wreed getroffen door de moordaanslag, die haar eigen broers beraamd hadden. Later werd zij de vrouw van Atli, die naar de sage wist te berichten, de Boergondische vorsten aan zijn hof nodigde om hen daar te gronde te richten. De Duitse sage vertelde, dat hun zuster dit arglistige plan ont worpen had, om aldus de dood van haar man te wreken; de Skandinaafse overlevering kan zich zulke verloochening van familiegevoelens moeilijk voorstellen en handhaaft Gudrun in de rol van de trouwe zuster, die de broeders - te vergeefs - tracht te waarschuwen. Wanneer dan ten slotte deze zelfde vrouw ook nog verbonden wordt met de sage van Ermanarik, door de helden Sorli en Hamdir, die den Gotischen koning zouden hebben gedood, tot haar zoons te maken, dan wordt zij tot de wreedst beproefde vrouw van welhaast aller volken heldensage: zij verloor haar man door toedoen van haar broeders, zag dezen gedood door haar tweeden echtgenoot Atli; doodde dien toen zelf na haar eigen kinderen geofferd te hebben, moest ervaren dat haar dochter Swanhild onder de hoeven van Ermanariks paarden vertrapt werd en haar zoons bij de wraakneming hiervoor werden gedood.

Over het geheel is het Oudnoorse heldenlied weinig episch; de dichters berichten dus bij voorkeur niet zelf de handeling, maar laten de daaraan deelnemende personen er over spreken, zodat het Eddalied een eigenaardig dramatisch karakter krijgen kan. Meermalen zijn er prachtige dialogen te vinden, die in zeer geconcentreerde vorm de situatie tekenen en bovendien het innerlijk leven der heldenfiguren blootleggen. Daar de dichter de handeling gaarne uit een enkel moment belicht, wordt hij er toe gebracht, tegelijk een terugblik te werpen op wat is voorafgegaan of reeds vooruit te wijzen op het noodlottige einde. In de oude liederen zullen de epische en dramatische trekken elkander in evenwicht houden; de jongere ontwikkeling gaat in de richting van de beschouwing over het tragische gebeuren steeds verder en eindigt in een genre, waarin met een zeker pathos door Brynhild of Gudrun een terugblik op de rampen van het leven geworpen wordt. Maar zelfs in deze jongste voortbrengselen ener kunst, die eens de gebaarde krijgers van een Germaanse koningshal tot geestdrift ontstoken had, treffen wij vaak het adelsmerk van een hechtgewortelde traditie.

Wil men de Germaanse kunst ten volle genieten, dan moet men ook vertrouwd zijn met de door haar gekozen vormen; men moet weten welke elementen in een vers als schoon en welluidend beschouwd werden. Geheel moet men zich vrijmaken van de kunstregels der moderne poëzie, van de regelmatige vers- en strofenbouw en van de bekoring der rijmen. Het Germaanse vers is uitdrukking van de Germaanse taal en haar kenmerk is, dat zij met sterke, nadrukkelijke accenten de stroom der klanken skandeert en dat in elk woord gewoonlijk de eerste lettergreep de klemtoon draagt. Gelijk men dus in de gesproken zin een rijzen en dalen van de geluidsterkte opmerkt, een opeenvolging van toongolven en toondalen, zo bestaat ook het vers slechts in een regeling van het normale spreekrhythme.

De gewone epische versmaat is zeer eenvoudig; de kleinste eenheid is de verbinding van twee korte regels, die ieder twee heffingen hebben:

Brynhild lachte ten laatsten male

Terwijl nu in een modern vers de afstand tussen de heffingen aan bepaalde regels gebonden zou zijn, en dus bij een eenmaal gekozen schema het aantal lettergrepen in de daling regelmatig een of twee zou bedragen in overeenstemming met de versvorm (jambe, dactylus enz.), is de Oudgermaanse dichter daarin veel vrijer: de heffingen zijn zó zeer de hoofdzaak, dat het aantal dalingen vrij willekeurig kan wisselen. Zij kunnen geheel ontbreken, zodat twee heffingen op elkander botsen, zij kunnen echter ook in groten getale voorkomen. En dit kan geschieden in hetzelfde gedicht, zelfs in dezelfde strofe. Dit geeft aan het vers een zeer grote soepelheid en het stelt den dichter bovendien in staat, om door middel van de schikking der dalingslettergrepen zeer verschillende in druk op den hoorder teweeg te brengen. Als voorbeeld kies ik een paar regels uit het oude lied van Hamdir (nr. 29). In zijn afscheid van het leven zegt daar de held:

Héldenroem wonnen wij
sterven wij heden of morgen -
niemand ziet de avond
na der nornen woord!

Dat zijn dus zeer gevulde verzen, waarin zelfs dalingen van drie syllaben voorkomen. Maar de onmiddellijk volgende strofe luidt:

Toén viel Sorli
tégen de gével
en Hamdir zéeg
aan het zaaleind.

Hierin is dus gestreefd naar een sobere bouw, door de dalingen niet meer dan een lettergreep te doen bedragen. wij noemden de groep van twee regels de kleinste eenheid. Zij zijn dit, doordat er een bindend element aanwezig is en wel in de vorm van het stafrijm. De regel is deze, dat de beide heffingen van het eerste vers en de eerste heffing van het tweede met dezelfde klank beginnen, zodat dus van de vier heffingen er drie aan de alliteratie deelnemen. Ook klinkers kunnen stafrijm vormen en in dat geval doet de aard der klinkers er niet toe: a en o en e rijmen dus met elkander; het is dan ook niet het timbre van de klinker, dat het stafrijm vormt, maar de krachtige opening der stembanden, die aan het uitspreken van den klinker voorafgaat. Naast de regelmatige vorm:

Ik geef u, Gudrun,
gouden sieraad

komen echter zeer talrijke verzen voor, waarin deze regel niet streng wordt toegepast: er zijn niet drie, maar slechts twee rijmstaven, of ook zij staan niet op de juiste lettergrepen. De grote vrijheid, die de Edda-dichter zich in dit opzicht veroorloven kan, blijkt uit regels als:

ik kan geen vreugde, Grimhild, voelen.
zij bonden Gunnar zetten hem in boeien.
de hal verliet de heer der helden.

Versregels van dit type zijn algemeen Germaans, Het bijzondere van het Noordgermaanse vers bestaat allereerst hierin, dat de vrijheid om het aantal dalingslettergrepen willekeurig te bepalen beperkt is door de praktijk, die een of twee van dergelijke syllaben als geoorloofd beschouwt, maar daar zelden onder of boven gaat. Vooral echter kenmerkt zich de Eddapoëzie door de strofische vorm. Door de zin af te ronden aan het eind van een verzenpaar, ontstaan er insnijdingen in de opeenvolging der regels, en worden dus, al naar de aard van de zin, twee, drie of vier verzen tot een eenheid gebonden. De strofe is dus onregelmatig van omvang, al blijkt het ten duidelijkste, dat ten slotte de omvang van acht versregels als ideale strofenvorm beschouwd werd. Behalve deze eenvoudige versmaat, die bijna uitsluitend in de heldenliederen worden toegepast, vinden wij ook een andere van iets kunstige vorm, "liedmaat" genoemd. Elk verzenpaar wordt gevolgd door een derde vers, dat drie heffingen telt en bovendien een eigen alliteratiesysteem heeft. Als voorbeeld diene:

wie zullen het erf der Azen bezitten
als de gloed van Surt vergaat?

Deze versvorm wordt gebruikt voor die mythologische gedichten, waarin kennis betreffende de mythen, handelingen van de cultus, magische gebruiken of runenpraktijk worden medegedeeld. Het vinden van zoveel stafrijmende woorden in zo klein bestek als een vers van acht lettergrepen stelt den dichter voor eigenaardige moeilijkheden. Het taalmateriaal moet wel zeer rijk gevarieerd zijn, om telkens de juiste woorden ter beschikking te stellen. Die rijkdom ontstaat allereerst door een groot aantal termen, die in het bijzonder tot de dichtertaal behoren; het zijn vaak min of meer verouderde woorden, die een reeks van synoniemen of althans gelijkwaardige uitdrukkingen vormen. Waar ook dit niet toereikend is, zijn dichterlijke omschrijvingen, de zogenaamde "kenningen", een middel om het gewenste stafrijm te leveren; zij zijn grotendeels van stereotype aard -en maken, vooral in vertaling, op ons meermalen een eigenaardige indruk. Zo betekent "schildboom" een krijgsman, want een "boom" is een voor de hand liggende beeldspraak voor een man, die dan door het epitheton "schild" als een krijger gekenmerkt wordt. Andere voorbeelden zijn "woudverwoester" voor vuur of "Odins zoon" voor Baldr.

Deze bijzonderheden van taal bemoeilijken een nauwkeurige weergave van de Oudnoorse tekst in het Nederlands. De synonieme woorden ontbreken vaak in onze taal, met name op het gebied van de vroegmiddeleeuwse krijg en de kenningen lenen zich door haar vreemdsoortige inhoud niet altijd tot een letterlijke vertaling, die bij den modernen lezer een glimlach van spot zou oproepen, waar de oude dichter juist een verheven ernst heeft willen uitdrukken. Toch heb ik getracht, inhoud zowel als vorm van het origineel tot hun recht te laten komen. Natuurlijk heb,ik mij in de versbehandeling dezelfde vrijheden veroorloofd, als de oude dichters dat zelf ookdeden, en zelfs een hoogst enkele maal het stafrijm verwaarloosd, als het een onmiddellijke vertaling van de tekst in de weg stond. Ik hoop, dat echter van de oude kunst toch zoveel ook in deze vertaling is overgegaan, dat de moderne lezer, na zich eerst aan de eigenaardigheden van het Eddavers gewend te hebben daarvan de krachten de schoonheid leert bewonderen.

Bron: www.heathenfront.org/nlhf/artikelen/inleiding...


woensdag 19 december 2007

Edda : scheppingsmythe

Goden- en heldenliederen
uit de Germaanse oudheid.


Zoals elke beschaving haar grote klassieken kent, is dit ook het geval met de oude Germaanse beschaving. Vanaf de in nevelen gehulde oudheid tot aan de dertiende eeuw zijn de verhalen en liederen die wij nu als de Edda kennen, door een traditie van mondelinge overlevering bewaard gebleven. Deze liederen waren het gezamenlijk erfgoed van zowel de Germaanse stammen op het Europese vasteland als de stammen op het Scandinavisch schiereiland, met de kanttekening dat er verschillen waren in de namen van de bewoners van het godenrijk. Zo heet Odin bijvoorbeeld Wodan op het vasteland, en Thor heeft daar de naam Donar.
Aan het eind van de dertiende eeuw zijn deze liederen gebundeld in een handschrift, dat in de zeventiende eeuw door de IJslandse bisschop van Skálholt werd ontdekt. Hij zond het naar Kopenhagen, waar het nu als de "Codex Regius" in de Koninklijke Bibliotheek bewaard wordt. De naam Edda zelf is onverklaard en behoort eigenlijk bij een ander boek; door een vergissing van een zeventiende eeuwse geleerde werd hij ook aan de verzameling liederen toegekend, die sindsdien als de eigenlijke Edda bekend gebleven is.

Misschien zijn we geneigd om aan een Germaanse Bijbel te denken als we het over de Edda hebben, maar dit is niet juist, want er is hier zeker geen sprake van een leer of dogma. Het is veel eerder een geloof van praktische riten om de gunst van de goden te winnen, en het leven van mens en natuur, van familie en wereld zijn veilige en heilzame weg te doen gaan.

Ook het karakter van de Edda verschilt van dat van de Bijbel, in die zin dat er in de Edda sprake is van veel meer humor, spot en satyre. De goden in de Edda tonen zich regelmatig van hun minder fraaie kant, en overspel, list en bedrog zijn de normaalste zaak in hun godenbestaan. We zien hier eerder een weerspiegeling van typisch menselijke trekjes, dan een beeld van edele verheven Godheid, zoals we dat uit de bijbel kennen.
Maar in tegenstelling tot humor, spot en satyre vinden we ook verheven liederen zoals het Hávamál (Het lied van de Hoge of Odin, waarin onder meer de Runenmagie bezongen wordt) en het Voluspá (De voorspelling der Wolwa, waarin de gehele loop van de wereld zich voor onze ogen ontvouwd, van de schepping en de oorlogen der godengeslachten in de oertijd tot aan het Ragnarok, de strijd van de goden tegen de kosmische monsters, de nederlaag van de goden en het eind van de wereld zoals we die nu kennen, maar ook het uitzicht op een nieuwe wereldorde onder leiding van de lichtgod Balder.


De scheppingsmythe


In den beginne was er Ginnungagap, de Grote Leegte. Leeg was de wereld, geruisloos en duister, niets dan een afgrond. Er was geen aarde, geen hemel, geen zand en geen zee. Aan de ene kant van de afgrond lag Niflheim (Nevelrijk), een streek vol donkere, ijskoude mist in het noorden; aan de andere kant lag Muspelheim, het Vuurrijk in het zuiden, een streek vol vuur en vlammen, dat bewaakt werd door de vuurreus Surt.
De elf rivieren van Niflheim bevroren en grote gletsjers drongen op in de richting van de afgrond. Tegelijkertijd flakkerde de reusachtige brand in Muspelheim steeds hoger op, en knetterend rolde de sproeiende vlammenzee in de richting van de ijswal aan de andere kant van de afgrond. Toen de gloeiende hitte van het zuiden met de bevroren woesternij van het noorden samenkwam, smolt het giftige ijs van Niflheim, en uit het in de afgrond neerdruppelende water ontstond het eerste levende wezen. Het was de oerreus Ymir, de voorvader van het hele kwaadaardige ras van reuzen.
Eens, toen hij sliep, dampten er wolkennevels uit zijn oksels en kruis en daaruit sprongen zijn kinderen tevoorschijn. Deze reuzen die lang niet zo groot werden als hun vader, noemden elkaar Thursen, de Geweldigen, of ook wel de Joten, de Veelvraten. Ymir kreeg voedsel van een schepsel dat eveneens uit het smeltende ijs was onstsaan, een koe die Audumbla heette. Uit de gespannen uiers van Audumbla stroomden vier melkrivieren de afgrond in. Zelf voedde de hemelkoe zich door de zoutachtige ijsblokken af te likken, die onder haar warme tong smolten. Toen ze de eerste dag likte, kwam er een bos haar uit het ijsblok tevoorschijn, de volgende dag een mannenhoofd en de derde dag een hele man: Buri, de eerstgeborene. Buri had maar een zoon, de god Bor (Boer, de bouw), die stamvader werd van het geslacht der Aesir (Asen, goden). Bor trouwde met de reuzin Bestla, een van Ymirs dochters, en hun kinderen waren de de Asen Odin, Wile en We.




Deze drie kregen ruzie met de oude reus Ymir, waarna Odin hem met de speer van zijn vader doodde. Met zijn broers Wile en We droeg hij het lijk van Ymir naar het midden van Ginnungagap, waar ze uit zijn lichaam de wereld schiepen. Ymirs vlees werd de aarde, zijn beenderen de bergen, zijn bloed de zeeën en meren, zijn tenen en tanden werden rotsen en stenen, en zijn haren de plantenwereld. Uit Ymirs schedel werd het hemelgewelf gevormd. Vier dwergen, die aanvankelijk als maden in Ymirs lijk hadden gekrioeld, maar van de goden een menselijke vorm en intelligentie hadden gekregen, moesten het hemelgewelf aan de vier hoeken van de aarde vasthouden. Aan de namen van deze vier dwergen, Nordri, Austri, Sudri en Vestri, zijn de namen van de vier windstreken ontleend.
De wereld die de goden hadden geschapen bestond uit een platte schijf, omringd door een wereldzee. Aan de verre stranden aan de overkant van de wereldzee schonken de goden de reuzen een land om in te wonen: Jotenheim (Reuzenrijk) of Utgard (het Buitenrijk). In het midden van de wereldschijf verrees Midgard (het Middenhof), dat door de als muren opgeworpen wenkbrouwen van Ymir beschermd werd tegen de reuzen. Op een steile rots die uit het midden van Midgard opsteeg, bevond zich de hoog omwalde citadel Asgard, het verblijf van de Asen. De regenboogbrug Bifröst zorgde voor de verbinding tussen Asgard en Midgard. Onder de wereld bevond zich tenslotten nog het het dodenrijk Helheim.
Al deze rijken werden door de boom Yggdrasil, de Wereld-es, tezamen gehouden. De takken van Yggdrasil reikten tot in de hemel, en de wortels strekken zich tot in alle rijken uit. Aan de voet van de boom ligt de Bron van het lot, die door de drie Nornen of Schikgodinnen verzorgd wordt. Deze drie reuzenzusters spinnen het net van het lot over de wereld. Urd is de oudste, zij spint de draad van het verleden; Werdani spint het heden; Skuld is de jongste, die bezig is met de toekomst. Zwijgend spinnen de Nornen en van tijd tot tijd besproeien ze de wortels van Yggdrasil met het heilzame water uit de bron.
Aan de voet van de boom knaagt de draak Niddhögg (Nijdtand) vol afgunst aan de wortels. Vier mannetjes-herten Knabbelen op hoger niveau aan de bladeren en de bast. Hoog in de toppen van de wereld-es huist de zonnearend, die vanaf de ruisende takken zijn lied tot de sterren zingt. Hij staat op voet van oorlog met Niddhögg, als gevolg van de intriges van het eekhoorntje Ratatosk (Twistzaaier), die onvermoeibaar de boom op en neer holt om beide tegen elkaar op te zetten.
Op een zekere dag daalden drie van de Asen, Odin, Hoenir en Loki, naar de aarde af om hun werk te bekijken. Hoewel zij voldoening hadden van het geschapene, kregen zij toch het gevoel dat er iets ontbrak. Aan de bosrand zagen zijtwee jonge boompjes staan: Ask, de es, en Embla, de olm. Zij besloten hieruit mensen te maken. Odin gaf hun de bezielende adem, Hoenir gaf hun een geest, en Loki schonk hun het warme bloed en de levenslust. Zo ontstond het eerste mensenpaar: Ask, de man, en Embla, de vrouw


Bron: http://www.knuthuus.com/edda.htm

dinsdag 18 december 2007

Poetische Edda

De Poëtische Edda is een verzameling liederen uit het Middeleeuwse IJsland, bestaande uit een verzameling godenliederen met mythologische inhoud, meer bepaald verwijzend naar de Noordse mythologie, en een verzameling heldenliederen met vooral epische inhoud, die naar historische contexten verwijzen. Deze hebben vooral betrekking op afstammelingen van de koningshuizen uit de Völsungfamilie.

Stijl

De gedichten in de Poëtische Edda zijn geschreven in alliteratieve rijm. Sommige delen zijn in proza geschreven, de boventoon blijft echter dichterlijk.

Tijd, plaats en bron van notering

De proza-Edda is in vier belangrijke en ín een aantal minder belangrijke handschriften overgeleverd:

  1. Codex Upssaliensis: oudste, ontstaan rond 1300.
  2. Codex Regius: (Kopenhagen, KB 2367 410; sinds 1971 te Reykjavik), eerste kwart 14de eeuw
  3. Codex Wormianus: (Kopenhagen AM 242 101) laatste kwart 14de eeuw
  4. Codex Trajectinus: papierhandschrift ontstaan rond 1600 en vanaf 1643 in Utrecht bewaard (UB Utrecht, ms. 1374), een zorgvuldig afschrift van een dertiende-eeuws handschrift, mogelijk hetzelfde waarvan ook de Codex Regius werd afgeschreven.

Niet al deze handschriften zijn volledig bewaard: de Codex Regius mist het eerste blad, en de Codex Trajectinus het eerste blad en een aantal bladen aan het einde. Onderling vertonen de handschriften verschillen, soms aanzienlijke, op gebied van woordkeuze, zinsbouw en organisatie van het materiaal. De verschillen tussen de Codex Regius en de Codex Trajectinus zijn zeer gering. De tekst van de Codex Wormianus is op sommige plaatsen korter, op andere langer dan de tekst van de Codex Regius. De tekst van de Codex Uppsaliensis is de kortste, maar hierin zijn allerlei teksten van andere herkomst ingelast: een grammaticale verhandeling, een opsomming van skalden en een van rechtsgeleerden, en de genealogie van de Sturlungen-familie.

Herkomst

De Oudnoordse gedichten staan in een middeleeuws manuscript, de Codex Regius, dat gevonden werd in IJsland. Deze codex vormt samen met de Proza-Edda van Snorri de belangrijkste bron van kennis omtrent de oude Noordse en Germaanse mythologieën en legenden.

De Codex Regius werd neergeschreven in de 13e eeuw, maar is pas in 1643 ontdekt, nadat hij in het bezit was gekomen van de bisschop van Skálholt, Brynjólfur Sveinsson. In die tijd waren er al een aantal versies van Snorri's Edda bekend, maar geleerden hadden altijd verondersteld dat er ooit een andere - een Oudere Edda - moest geweest zijn, waarin de heidense gedichten stonden opgetekend waar Snorri in zijn citaten naar verwees. Toen de Codex Regius dan eindelijk werd gevonden, bevestigde dit die eerdere speculaties. Brynjólfur schreef het manuscript toe aan Sæmundr de Geleerde, een IJslands priester uit de 12e eeuw, en ook al wordt deze toekenning door latere onderzoekers ontkend, toch komt men af en toe de naam Sæmundar Edda nog tegen.

Bisschop Brynjólfur stuurde de Codex Regius naar de Deense koning, vandaar de naam. Aldus bleef het manuscript eeuwenlang in de Koninklijke Bibliotheek van Denemarken. In 1971 werd het aan IJsland teruggegeven.

Auteurs

Zoals het grootste gedeelte van de werken uit die tijd waren de gedichten minstrelenwerk (skalden), overgeleverd van zanger tot zanger en pas later opgeschreven. Daarom is niet bekend wie de gedichten precies heeft gemaakt en wanneer - enkel van de Proza-Edda weten wij dat Snorri Sturluson ze opschreef. Belangrijke vertalers van de oude Edda naar het Nederlands zijn: Marcel Otten, Paula Vermeyden, Jan de Vries (taalkundige).

Over het algemeen wordt aangenomen dat de poëtische Edda uit de twaalfde à dertiende eeuw komt (dwz: toen is zij opgeschreven. De liederen zelf zijn in feite ouder), en de geschreven liederen stammen uit IJsland. Het scheppingsverhaal is ook kenmerkend voor het noorden in een land als IJsland, waar vuur en ijs een rol spelen in het dagelijks leven.

Gedichten in de poëtische Edda

De oudere Edda bevat 16 godenliederen en 24 heldenliederen.

Godenliederen

Het is belangrijk op voorhand te weten dat in de Noordse kosmologie de 'goden' in feite werden beschouwd als heersende machten, krachten of principes (Oudnoords: Ragná is in feite heersende macht). Deze entiteiten konden zowel Asen of Asinnen zijn, als reuzen of zelfs monsters.
De meeste 'goden'liederen werden opgesteld als ‘weetgedicht’ of uit kenningen. Dat wil zeggen dat mogelijk bewust heel wat kennis in geconcentreerde vorm erin werd neergelegd, die dan door skalden kon worden van buiten geleerd om in die vorm verder verspreid te geraken. De meeste weetgedichten zijn bovendien in dialoogvorm. In een afwisseling van vraag en antwoord, of vaak in een weetwedstrijd tussen twee protagonisten, wordt de beoogde kennis systematisch opgeslagen en weergegeven.
Het tweede gedeelte van de godenliederen zijn spreukgedichten. Hier liggen geen mythologische zaken maar levenswijsheden en gedragsregels aan ten grondslag.
In de volgorde van de individuele liederen zit een systeem. Het eerste lied, de Völuspá, behandelt de algehele evolutie van de kosmos van bij het ontstaan tot het vergaan, terwijl de daarop volgende liederen steeds specifiekere onderwerpen aansnijden. (Deze opstellingswijze vinden we ook in de Indische Rig Veda, waar de eerste van de 10 mandala's in kiemvorm het geheel weergeeft, terwijl elk deel daarvan in een opvolgende mandala wordt weergegeven.)

Godenliederen in de Codex Regius:

  1. Völuspá - Het visioen van de zieneres (de Wolwa of Volva)
  2. Hávamál - Het lied van de Hoge
  3. Vafþrúðnismál - Het lied van de Sterke Mangelaar (Vafþrúðnir)
  4. Grímnismál - Het lied van de Gemaskerde (Grímnir)
  5. För Skírnis of Skirnismál - De reis van Blinker (Skirnir)
  6. Hárbarðsljóð - Het lied van Grauwbaard (Hárbarð)
  7. Hymiskviða - De ballade van Hommer (Hymir)
  8. Lokasenna - Loki's scheldpartij (niet in de oudere)
  9. Þrýmskviða - De ballade van Heibel (Þrymr)
  10. Baldrs draumar of Vegtamskviða - Balders droom
  11. Rígsþula - Konings register of Het lied van Rig
  12. Alvíssmál - Het lied van Alwijs (Alvis)
  13. Grottasöngr- Gruizelzang (Grotti)
  14. SvipdagsmálHet lied van Swipdag (Svipdag)
  15. HyndloljóðHet lied van Hyndla

Andere Godenliederen:

Heldenliederen

De heldenliederen uit de Edda verzameling gaan over een aantal Germaanse helden die, met uitzondering van de hoofdheld Helgi op het Europese vasteland leefden in de tijd van de volksverhuizingen. Ze zijn meestal historisch aanwijsbaar. Zo is bijvoorbeeld Atli de Hunnenkoning Attila of is Gunnar Gundahar de koning der Boergondiërs. Daardoor is er kruisgewijs overeenstemming vast te stellen met continentale helden, zoals met het Nibelungenlied. Dit laatste zou in feite een bewerking zijn van de oude Völsungsaga. Het is een tragisch lied van verlangen naar liefde, goud en wraak, opgesmukt door ridderkledij, steekspelen en uitbundige feesten.
Alhoewel de Codex Regius ca. 70 jaar later is neergeschreven dan het oudst bekende handschrift van het Nibelungenlied, wordt de versie uit de Edda algemeen als de oorspronkelijke versie van de sage beschouwd. (In de Duitse versie zijn bijvoorbeeld de verwijzingen naar de Noordse mythologie, welke de Edda weergeeft, geschrapt en de karakters worden hoofser uitgedrukt dan de meer archaïsche karakters van de Edda).

In de Edda zijn de namen van de helden de oude IJslandse namen: Sîgfrid heet er Sigurðr, Hagen Högni, Gunter Gunnar, Krimhild Guðrun…
Het heldenepos van de Edda is geen doorlopend verhaal, maar een verzameling lofliederen over dezelfde gebeurtenissen. Daardoor ontstaat een zekere inhoudelijke redundantie, en de chronologie wordt niet echt belangrijk geacht. Toch zijn de liederen op meerdere plaatsen met elkaar verweven en beantwoorden zij daardoor alsnog aan een chronologische en biografische logica. Redactioneel wordt dit bereikt via de verwantschapsweergave. Högni is de broer van Gunnar, Brunhild wordt in veel liederen de zus van Atli (Etzel) genoemd. (In de Duitse versie zijn Hagen en Gunter niet verwant).


Völundarkviða - De ballade van Völund
Helgakviða Hundingsbana in fyrri - De eerste ballade van Helgi, doder van de Hondenzoon
Helgakviða Hjörvarðssonar - De ballade van Helgi Hjörvardszoon
Helgakviða Hundingsbana in önnor - De tweede ballade van Helgi, doder van de Hondenzoon
Frá dauða Sinfjötla of Sinfiötlalok- Over de dood van Sinfjötli
Grípisspá - De voorspelling van Gripir
Reginsmál - Het lied van Regin
Fáfnismál - Het lied van Fafnir
Sigrdrífumál - Het lied van Sigrdrifa
Völsunga saga - De saga van de Völsungen
Brot af Sigurðarkviðu - Fragment van de ballade van Sigurd
Guðrúnarkviða in fyrsta - De eerste ballade van Gudrun
Sigurðarkviða in skamma - De korte Sigurdballade
Helreið Brynhildar - Brynhilds Hellevaart
Dráp Niflunga - De moord op de Nevelingen
Guðrúnarkviða önnor - De tweede ballade van Gudrun
Guðrúnarkviða in þriðja - De derde ballade van Gudrun
Oddrúnargrátr - Het klaaglied van Oddrun
Atlskviða in Grœnlenzka - De Groenlandse ballade van Atli
Atlamál in Grœnlenzku' - Het Groenlandse Atlilied
Guðrúnarhvhöt - Hoe Gudrun haar zonen ophitste
Hamðismál - Het lied van Hamdir
Hlöðskviða - Het lied van Hlöd

Motieven of hoofdthema's

De hoofdmotieven voor alle heldenliederen zijn de steeds weerkerende dapperheid, de dood, en moord en wraak. Heel vaak worden de helden door visioenen bezocht, hetzij in de vorm van dromen, of door bemiddeling van zieneressen en dergelijke.
Het heldenlied gedeelte bericht over niet minder dan 36 sneuvelende protagonisten. Deze gang van zaken weerspiegelt de fatalistische kijk op de wereld, die in de wereld van de goden zelf reeds is aan bod gekomen via de dood van Baldr en de daarop volgende Ragnarok, de algehele vernietiging van wat in de kosmos tot ontstaan kwam, inclusief de goden zelf. Maar het is tegelijk de optimistische weerspiegeling van de eeuwige cyclus van ontstaan en vergaan, de strijd tussen kosmos (orde) en chaos, waaruit telkens een nieuwe wereld voortkomt. Daarin heeft de mens zijn kleine part en dat wordt voor hem geprojecteerd in deze helden.

Een ander dieper liggend motief lijkt de houding van de goden en mensen tegenover de rijkdom van het gegeven van de schepping, gesymboliseerd in het goud en de goudschat. Niemand mag die voor zich willen houden, want dan ontstaat ‘Goudroes’ bij de goden en bij de helden verandert Fafnir daardoor in een draconisch wezen, een draak. En op beide schalen is chaos in de omgeving het gevolg. De mythische schat is op zijn plaats in de oerrivier van de scheppingsdaad (vgl. Das Rheingold), maar kan niet op zich door iemand worden bezeten, zoniet raakt die er zelf door bezeten.

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Po%C3%ABtische_Edda



maandag 17 december 2007

germaanse mythologie

De Germaanse mythologie beschrijft de verhalen die onder de voor-christelijke Germanen de ronde deden over de oorsprong en de geschiedenis van de goden, de wereld en de mensen. Deze kan ingedeeld worden in de Continentaalgermaanse en de Scandinavische (Noordse) groep.

Deze lijken sterk op elkaar, maar toch zijn er enkele verschillen. Zo zijn in Scandinavië Frigg en Freya twee verschillende, maar duidelijk verwante godinnen, terwijl zij in de Germaanse mythologie maar één godin is.

De basis van de Germaanse mythologie heeft vele overeenkomsten met andere Indo-Europese mythologieën zoals de Slavische, Griekse en Keltische, wat overigens niet verwonderlijk is. De oorspronkelijke Indo-Europeanen splitsten zich omstreeks het 2de millennium voor Christus in afzonderlijk te onderscheiden volkeren en zeker in de eerste eeuwen daarna was er waarschijnlijk nog veel overeenkomst tussen het godenpantheon en de overige cultuur.

Godheden en andere entiteiten

De belangrijkste goden en godinnen zijn (links de Noordse, rechts de Continentaalgermaanse benamingen):

  • Odin (Wodan/Wotan/Woden) - Alvader, god van wijsheid, oorlog, dood en poëzie. Woensdag is naar hem genoemd;
  • Thor (Donar) - god van de donder en het weer, grootste vijand van de Jotuns (reuzen). Donderdag is naar hem vernoemd;
  • Frey/Freya (Fro/Freyja) - god(in) van liefde en vruchtbaarheid. Er is onenigheid of Frey en Freya nu 1 of 2 godheden zijn. Freya is volgens sommigen dezelfde als Frigg, de vrouw van Odin;
  • Frigg (Frige/Friia) - god(in) van liefde en vruchtbaarheid. Echtgenote van Odin/Wodan. Vrijdag is naar haar vernoemd;
  • Týr (*Tiwaz) - god van oorlog, rechtspraak en moed, god van het ding (oude volksvergaderingen). De dinsdag is naar hem vernoemd;
  • Baldr (Baldur/Balder) - god van schoonheid, goedheid en puurheid;
  • Loki (Loke/Loge) - Loki is eigenlijk een Jotun (reus). God van chaos en leugens. Bloedbroeder van Odin. Vader van Fenrir en Jormungand en Hella.

Vele van deze goden werden ook vereerd door andere volkeren/stammen, Odin en Thor zijn min of meer dezelfde als de Slavische goden Veles en Perun, Týr werd bij de Grieken Ares genoemd. Men neemt aan dat in de vroege Noordse/Germaanse mythologie Týr de voornaamste god was, maar dat op een of andere manier Odin zijn rol als oppergod overnam.

Er zijn nog tientallen andere goden en godinnen, dwergen, elfen, reuzen en andere wezens die een grote rol spelen in vooral de Noordse mythologie. Van de Continentaalgermaanse mythologie is in vergelijking met de Noordse maar heel weinig bekend.

Begrippen

Enige bekende begrippen uit de mythologie zijn bijvoorbeeld het Walhalla of Folkvangr, het dodenrijk waar gesneuvelde strijders naar toe gaan, en de Hel of Niflhel, het dodenrijk voor mensen die een natuurlijke dood zijn gestorven. Ook een belangrijk begrip in de Germaanse mythologie is de Edda. De Edda is voor de Germaanse mythologie wat de Illias is voor de Grieken. Het is een verzameling verhalen en gedichten die verhalen over de Germaanse Goden en helden.

Feestdagen en weekdagen

Zondag en maandag zijn genoemd naar de godin Sunna en de minder belangrijke god Mana. Dinsdag komt van thing, dat met rechtspraak te maken heeft, woensdag is genoemd naar Odin, donderdag naar Thor en vrijdag naar Freya. Zaterdag is de enige dag van onze week die niet naar een Germaanse maar een Romeinse god is genoemd, namelijk Saturnus.

Vele namen, begrippen en gebruiken die in onze huidige samenleving voorkomen, stammen nog uit onze heidense voorgeschiedenis: zo zijn feesten zoals Pasen en Kerstmis verchristelijkte vormen van heidense seizoensfeesten die te maken hadden met de zonnewende. Er zijn nog talloze andere overblijfselen van onze voorchristelijke geschiedenis op te noemen.

Een ervan is bijvoorbeeld Sinterklaas die sterk lijkt op Odin zoals die te zien is in enkele afbeeldingen. Voorbeelden zijn de baard, hoed (vervangen door een mijter), speer (staf nu) en mantel. Bovendien rijdt Odin ook in de lucht op een witte schimmel genaamd Sleipnir. De Zwarte Pieten staan symbool voor Hugin en Munin, de raven die Odin op de hoogte hielden van wat er gebeurde. Het strooien met letters wordt gekoppeld aan het feit dat Odin ons de runetekens gaf. En de kleine liederen die rijmen en gezongen worden rond die periode hebben te maken met het feit dat de dichtkunst aan Odin gewijd was.

Negen werelden

Deze illustratie toont een 19de eeuwse poging om de kosmogonie te visualizeren van de Prosa Edda.

Deze illustratie toont een 19de eeuwse poging om de kosmogonie te visualizeren van de Prosa Edda.

In de Noordse mythologie zijn er 9 werelden die verbonden worden door de wereldboom Yggdrasil en de regenboogbrug Bifrost, namelijk

Het getal negen is ook een voortdurend terugkerend getal in de mythologieën.

De wereldboom (Yggdrasill) is een boom met drie wortels die verbonden zijn met de aarde en de kruin met de godenwereld. Tussen deze twee gaat een eekhoorn op en neer die als boodschapper fungeert (we herkennen hier Hermes uit de Griekse mythologie). Aan de eerste wortel is een bron van wijsheid waarin Odin als offer een oog heeft afgestaan in ruil voor wijsheid. Aan de middelste wortel bevinden zich de drie Nornen; zij weven het lot van de mensen. Eén voor het verleden (Urd), één voor het heden (Verdandi) en één voor de toekomst (Skuld). Aan de derde wortel knagen de slang/draak Nidhoggr en talloze andere slangen.

Bron : http://nl.wikipedia.org/wiki/Germaanse_mythologie


zondag 16 december 2007

Beowulf - evenement

"Beowulf is geen film maar een evenement." Deze waarschuwingstekst zou op elke poster moeten staan. Regisseur Robert Zemeckis en scenaristen Roger Avary en Neil Gaiman zijn er niet in geslaagd om enige diepgang aan hun filmbewerking van het eeuwenoude heldendicht mee te geven, maar weten wel met revolutionaire effecten het onderste uit de digitale kan te halen. Druk voordat je de zaal in stapt, het stempel 'Evenement' erop, en je zult een geweldige avond hebben.

Aan de basis van het visuele spektakel staat performance capture, een techniek waarvan Zemeckis na zijn The Polar Express voor de tweede maal gebruik maakt. Hij laat zijn acteurs in strakke pakjes van top tot teen bedekt met bolletjes hele scènes uitspelen in een groene ruimte omringd door tientallen camera's. Uit deze performance komt een rits data die omgezet wordt in 3D-beelden, waarbij de essentie van de acteurs wordt gebruikt.

Metamorfose
Zo kan het dus dat de dikke Engelse acteur Ray Winstone de twee meter lange, gespierde Viking Beowulf speelt. En dat Angelina Jolie in de huid kruipt van de verleidelijke moeder van Grendel die naast een perfect figuur (niet verrassend), ook een levende paardenstaart en stilettohakken onder haar voetzolen heeft. De grootste metamorfose maakt Crispin Glover als Grendel door. Slechts een enkeling zou de acteur nog herkennen uit het mismaakte lijf van het reusachtige monster dat de arme bevolking van koning Hrothgar (Anthony Hopkins) terroriseert.

Zoals gezegd moet Beowulf het niet hebben van een intelligent verhaal, maar dat betekent niet dat scenaristen Avary en Gaiman gefaald hebben. Het visuele spektakel is op momenten zo overdonderend, dat enige subtiliteit verloren zou gaan in de woeste zee van pixels. Gelukkig hebben we hier niet te maken met een film, maar met een evenement. Hierin kan de held onzinnige dingen uitkramen als: "Tonight will be different! I am the ripper, the terror, the slasher. I am the teeth in the darkness! My name is strength! And lust! And power! I AM BEOWULF!" En kan hij spiernaakt rondlopen zonder dat ook maar één maal zijn kleine wapen te zien valt.


Houterige dialogen
Het gebrek aan diepgang stoort alleen wanneer er even geen monster is om te verslaan. Dan komen de houterige dialogen bovendrijven en valt op hoe ééndimensionaal deze 3D-personages blijven. Het tragische lot van Beowulf - de allereerste anti-held - laat de kijker grotendeels koud. Slechts naar het einde toe weet Zemeckis enige gelaagdheid aan te brengen. Dit valt echter zo rauw op je dak, dat het beoogde effect zijn doel mist.

Om te onderstrepen dat het om een belevenis gaat, mocht de landelijke filmpers Beowulf bekijken op het grote IMAX-scherm in 3D. Met een speciaal brilletje op zoefden de speren om je oren, vloog een reusachtige draak over je hoofd en kon je de rondingen van Angelina Jolie bijna aanraken. Helaas zal niet iedereen met een speciaal brilletje op Beowulf kunnen zien. Ik kan niet met zekerheid zeggen of het spektakel zonder al die driedimensionale tierelantijnen de moeite waard blijft, maar ik vermoed het ergste. Een evenement staat of valt namelijk bij de juiste locatie.

Bron: http://www.filmfocus.nl/recensies/23632-Beowulf.html

zaterdag 15 december 2007

Beowulf - The movies




Bron : http://www.imdb.com/title/tt0442933
Bron:http://www.movie2movie.nl

vrijdag 14 december 2007

Beowulf

Introductions to the Old English poem called Beowulf often begin with something of the sort: 'Beowulf is written in West Saxon and recorded only in the Cotton Vitellius A. xv manuscript…' One may wonder why such a work would be introduced in this rather dry and relatively uninformative manner. Unfortunately, very little can be said definitively as regards the poem's authorship, date or location of composition, purpose, theme, &c.


On definitive ground, we can describe Beowulf as the longest surviving poem in Old English and one of the earliest European epics written in the vernacular (rather than in Latin). Written in unrhymed, four-beat alliterative metre of Old English poetry, it tells of the exploits of the hero Beowulf. The first part of the tale narrates Beowulf's youthful adventures in Denmark battling the monstrous creature Grendel on behalf of the King Hrothgar of the Danes, and the second part narrates his later life, including his fight with a fire-dragon, during his reign as the King of Geatland (traditionally located somewhere in southern Sweden or one of the Baltic island on the east coast of Sweden).

We may say that Beowulf was composed somewhere in England between about 521 AD (the approximate date of the death of the historical model for the character Hygelac) and 1026 AD (more or less the latest possible date of the manuscript itself). We do not know for sure where in England the poem was composed. Nor do we know if the poem was composed by a single author, or whether it is the result of the merging together of ballads by different authors, nor whether the poem was significantly altered subsequent to its first written form. The poem's purpose is also unclear - arguments have been made for a naturalistic mythic allegory, a Christian allegory, a criticism of heroic culture, a mourning for the loss of heroic culture, a Germanic 'Old Testament', an allegory concerning contemporary politics in one or other of the Saxon kingdoms - just to mention a few. The title Beowulf itself is an editorial convenience -- the manuscript copy of the poem is untitled. We also know almost nothing about Beowulf's place in English literature in the Anglo-Saxon period - we do not know what popularity, if any, the poem enjoyed. Certainly, awareness of the poem seems to have disappeared entirely by the early Middle English period, and the poem does not re-enter the canon of English literature until the late 18th and early 19th centuries - which places Beowulf in an odd ancient/modern position within the history of English literature.

Let it suffice that very little can be said with certainty on almost any aspect of the poem.

Bron :
http://www.heorot.dk/beowulf-on-steorarume_front-page.html

donderdag 13 december 2007

Beowulf Old English Text - Prologue


Hwæt! We Gardena in geardagum,
þeodcyninga, þrym gefrunon,
hu ða æþelingas ellen fremedon.
Oft Scyld Scefing sceaþena þreatum,
5
monegum mægþum, meodosetla ofteah,
egsode eorlas. Syððan ærest wearð
feasceaft funden, he þæs frofre gebad,
weox under wolcnum, weorðmyndum þah,
oðþæt him æghwylc þara ymbsittendra
10
ofer hronrade hyran scolde,
gomban gyldan. þæt wæs god cyning!
Ðæm eafera wæs æfter cenned,
geong in geardum, þone god sende
folce to frofre; fyrenðearfe ongeat
15
þe hie ær drugon aldorlease
lange hwile. Him þæs liffrea,
wuldres wealdend, woroldare forgeaf;
Beowulf wæs breme (blæd wide sprang),
Scyldes eafera Scedelandum in.
20
Swa sceal geong guma gode gewyrcean,
fromum feohgiftum on fæder bearme,
þæt hine on ylde eft gewunigen
wilgesiþas, þonne wig cume,
leode gelæsten; lofdædum sceal
25
in mægþa gehwære man geþeon.
Him ða Scyld gewat to gescæphwile
felahror feran on frean wære.
Hi hyne þa ætbæron to brimes faroðe,
swæse gesiþas, swa he selfa bæd,
Bron :http://www.humanities.mcmaster.ca/~beowulf/main.html

Modern Text - Prologue

LO, praise of the prowess of people-kings
of spear-armed Danes, in days long sped,
we have heard, and what honor the athelings won!
Oft Scyld the Scefing from squadroned foes,
from many a tribe, the mead-bench tore,
awing the earls. Since erst he lay
friendless, a foundling, fate repaid him:
for he waxed under welkin, in wealth he throve,
till before him the folk, both far and near,
who house by the whale-path, heard his mandate,
gave him gifts: a good king he!
To him an heir was afterward born,
a son in his halls, whom heaven sent
to favor the folk, feeling their woe
that erst they had lacked an earl for leader
so long a while; the Lord endowed him,
the Wielder of Wonder, with world's renown.
Famed was this Beowulf:1 far flew the boast of him,
son of Scyld, in the Scandian lands.
So becomes it a youth to quit him well
with his father's friends, by fee and gift,
that to aid him, aged, in after days,
come warriors willing, should war draw nigh,
liegemen loyal: by lauded deeds
shall an earl have honor in every clan.
Forth he fared at the fated moment,
sturdy Scyld to the shelter of God.

Bron :http://www.humanities.mcmaster.ca/~beowulf/main.html